Bezinning Man, Vrouw en Ambt
Studie naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van de synode-besluiten Meppel 2017
home nieuws start hier
werkgroepen
bronnen agenda over ons contact
donderdag 20 december 2018
Onderwijs geven en onderlinge verhoudingen in 1 Timotheüs 2

auteurs: Pieter Boonstra & Henk Room

Een beoordeling van een belangrijk uitgangspunt in de exegese van Pieter Niemeijer in: Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk (Uitgave Woord & Wereld, 2018).

In 1 Timoteüs 2: 8-15 geeft de apostel Paulus voorschriften voor de gemeente. Volgens Pieter Niemeijer heeft hij daarbij alleen het oog op de getrouwde vrouw in relatie tot haar eigen man en haar omgang met hem in de gemeente. Deze vooronderstelling draagt zijn uitleg van 1 Timoteüs 2: 8-15.

In zijn boekje Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk werkt hij zijn gedachte zo uit: “Gedeelten als Efeziërs 5, 1 Korintiërs 11 en 1 Timoteüs 2 leren ons om in de M/V-discussie het huwelijk in ere te houden en erop toe te zien dat man en vrouw in de kerk niet los van elkaar of tegenover elkaar optreden, maar in goede harmonie. Welke taak je als vrouw ook vervult, je doet het met respect voor je man. Ontken niet dat hij je hoofd is. Een vrouw die als ambtsdrager los van haar man en zelfs tot schade van hem zou functioneren, doet het niet goed.” (p. 48).

Dat een vrouw haar taak moet vervullen met respect voor haar man als hoofd, is uiteraard waar. Het omgekeerde geldt overigens net zo goed: een man moet zijn taak vervullen met respect voor zijn vrouw, in de roeping die God háár geeft. Ze moeten inderdaad niet los van elkaar of tegenover elkaar optreden. Ook is het waar dat de meeste vrouwen in die tijd getrouwd waren. Maar klopt het dat Paulus hier alleen schrijft over getrouwde vrouwen in relatie tot hun eigen mannen? Hoe ze als getrouwd stel met elkaar om moeten gaan in de gemeente? Als dat waar is, dan zou Niemeijer ook gelijk hebben als hij stelt: wat Paulus hier zegt raakt niet aan onze vraag naar ‘vrouw en ambt’.

Niemeijer gaat in tegen de vrij algemene opvatting dat Paulus hier in de eerste plaats voorschriften geeft voor de samenkomsten van christenen en dat het niet gaat om specifieke aanwijzingen voor het huwelijk (Zie: M. Klinker-De Klerck, Als vrouwen het Woord doen, p. 89-90). Er zijn echter belangrijke bezwaren in te brengen tegen zijn uitgangspunt. We noemen er vijf.

  1. Paulus schrijft een persoonlijke brief aan Timoteüs. Hij heeft zijn jonge pupil als voorganger achtergelaten in Efeze. Nu geeft hij hem ter ondersteuning instructies, zodat Timoteüs weet hoe het er in de gemeente aan toe moet gaan (vg. 1: 2, 18-19; 3: 14-15; 4: 6, 15; 6: 11-21). De brief is dus niet gericht aan specifieke gemeenteleden met aanwijzingen hoe zij zich in hun huwelijk moeten gedragen. Hij is rechtstreeks aan Timoteüs gericht, die er op moet toezien dat mannen (algemeen) en vrouwen (algemeen) zich als gemeenteleden op een juiste manier ten opzichte van elkaar gedragen.
  2. Paulus drukt zich in zijn voorschriften in 1 Tim. 2: 8-15 heel algemeen uit. In vers 8 en 9 heeft hij het over ‘de mannen’ en ‘de vrouwen’, in vers 10 en 11 spreekt hij over ‘een vrouw’ en in vers 12 over ‘man’. Niets wijst erop dat hij alleen getrouwde mannen en vrouwen bedoelt. Wanneer dat wel zo zou zijn, dan zou hij dat toch zeker aan Timoteüs duidelijk gemaakt hebben, om alle misverstand te voorkomen. Dan zou hij in vers 11 expliciet voorgeschreven hebben: ‘een getrouwde vrouw moet zich laten onderwijzen.’ En in vers 12: ‘ik verbied dat een vrouw onderwijs geeft en ook dat zij gezag voert over haar man.’ (zoals bijv. wel expliciet gebeurt in 1 Kor. 14: 35). Maar dat doet Paulus niet. Dat moet ons voorzichtig maken. In die tijd zullen de meeste vrouwen getrouwd zijn geweest. Maar het gaat te ver om deze tekst zo beperkend op te vatten dat het alleen om getrouwde vrouwen in relatie tot hun eigen mannen gaat.
  3. In 1 Tim. 2: 8-15 geeft Paulus verschillende voorschriften, over het gemeenschappelijk gebed, over het uiterlijk voorkomen van de vrouw en over het ontvangen en geven van onderricht. Het is duidelijk dat het hier niet alleen om gehuwden kan gaan, want dan zouden alleen getróuwde mannen moeten bidden zonder wrok of onenigheid en zouden alleen getróuwde vrouwen zich waardig moeten kleden, et cetera. Voor ongetrouwden zou de boodschap dan niet gelden.
    Ook geeft de tekst geen enkele aanleiding om te denken dat de onderlinge verhouding van mannen en vrouwen alleen in hun huwelijk het punt is waar het om gaat.
    In vers 15 gaat het ook niet alleen over getrouwde vrouwen, al lijkt dit voor de hand te liggen omdat het over het baren van kinderen gaat. Het eerste deel van het vers staat in het enkelvoud (‘Zij zal worden gered') en gaat over Eva die kinderen baart (denk aan de moederbelofte uit Genesis 3). Het tweede deel van het vers staat in het meervoud en slaat op alle vrouwen in de gemeente, die net als hun moeder Eva moeten vasthouden aan het geloof, de liefde en een heilige, ingetogen levenswijze. Het kinderen baren slaat niet op hen. (Zie voor een nadere uitleg van deze grammaticaal merkwaardige zin: Van Houwelingen, Timoteüs en Titus, p.78-82 en: M. Klinker-De Klerck, Als vrouwen het woord doen, p. 99-101).
  4. Paulus zegt in vers 12: ‘ik sta haar dus niet toe dat ze zelf onderwijst of gezag over mannen heeft.’ Niemeijer past dit toe op het huwelijk en parafraseert deze woorden zo: de vrouw mag haar man niet publiek ‘de les lezen’ (p. 38). Om meerdere redenen is deze invulling twijfelachtig.
    • Zelfbewust ‘de les lezen’ heeft weinig met onderwijs geven te maken. Die betekenis heeft het Griekse woord voor onderwijzen niet. Bovendien kan nergens uit opgemaakt worden dat het hier gaat over vrouwen die hun eigen man hautain en publiek ‘de les lezen’. Daarvoor is het ‘over mannen’ ook te algemeen.
    • Woordstudies over authentein (‘gezag voeren’) leveren tegenstrijdige interpretaties op. Dat moet ons voorzichtig maken.
    • Ook de verbinding tussen ‘gezag voeren’ en ‘onderwijs geven’ wordt verschillend geïnterpreteerd. Het ‘gezag hebben over’ zegt vermoedelijk iets over het ‘onderwijzen’ en omgekeerd, maar het verband is niet duidelijk. Hier is dus eveneens voorzichtigheid geboden. Hooguit kan gezegd worden dat Paulus wil voorkomen dat er een omkering plaatsvindt in de onderlinge verhouding tussen mannen en vrouwen (M. Klinker-de Klerck, Herderlijke regel of inburgeringscursus?, p. 55).
    • Als Paulus werkelijk zou bedoelen dat onderwijs geven niet op een overheersende manier mag gebeuren, rijst onmiddellijk de vraag waarom hij dit alleen zegt met het oog op de vrouwen in de gemeente. Geldt deze regel dan niet voor mannen?
    • Dat het onderwijs door vrouwen op een ‘dominerende manier’ gebeurde is niet hard te maken (zo: H.N. Ridderbos, Pastorale brieven, p. 82). Maar zelfs als een hautain en publiek optreden van vrouwen in de gemeente de aanleiding was voor Paulus' instructie, dan nog blijft de apostel niet bij die mogelijke aanleiding staan. Dat blijkt wel uit de woorden Want Adam werd als eerste geschapen, pas daarna Eva. Gods werkwijze bij de schepping van man en vrouw motiveert zijn aanwijzing, en geeft die een bredere strekking. Conclusie: De stelling dat het in vers 12 gaat over vrouwen die hun eigen man publiek de les lezen, is een hypothese die meer inleest in de tekst, dan leest wat er staat.
  5. De vooronderstelling van Niemeijer, dat het hier gaat over het hautaine en publieke optreden van gehuwde vrouwen in relatie tot hun eigen mannen in de gemeente, kan ten slotte ook om een paar andere redenen niet kloppen.
    • Het verbod om zo op te treden is hier specifiek alleen op vrouwen is gericht. Maar ook mannen mogen zo toch niet optreden tegen hun vrouwen? Dat in Efeze die kant niet vergeten moet worden, blijkt uit Ef. 5: 21-33. Niet alleen om misverstanden, maar vooral om misstanden te voorkomen, hadden mannen hier niet ongenoemd kunnen blijven.
    • Vers 12 wil volgens Niemeijer dus zeggen, dat vrouwen niet op een hautaine manier publiek (hun eigen man) onderwijs mogen geven. Vers 11 wil dan aangeven: ze moeten zich eerst (cursief van PB en HJR) maar eens laten onderwijzen (p. 38). Maar dit ‘eerst’ staat er niet. Paulus geeft geen enkele aanleiding om te denken dat vrouwen wél 'met gezag' mannen mogen onderwijzen als ze maar voldoende onderwezen zijn.
Conclusie

Gehuwde en ongehuwde mannen en vrouwen worden door Christus in een nieuwe maatschappelijke werkelijkheid geplaatst. Op plaatsen waar hun samenleven strikt door de Romeinse hiërarchische structuur geordend is, maar ook op plaatsen in het rijk waar dat niet het geval is, ontmoeten mannen en vrouwen andere mannen en vrouwen in een door Christus tot leven geroepen gemeente. Die gemeente is Zijn lichaam.

Er is geen reden om de algemene opvatting te verlaten, dat het in 1 Tim. 2: 8-15 niet gaat om specifieke aanwijzingen voor het huwelijk, maar om voorschriften die Paulus aan Timoteüs geeft voor de samenkomsten van christenen en voor de onderlinge omgang van mannen en vrouwen in de gemeente. (Zie: M. Klinker-De Klerck, Als vrouwen het Woord doen, p. 90)

Dan blijkt de samenhang met hoofdstuk 3: 1-7, waar het gaat over de vraag wie als opziener moet worden aangesteld. Daar blijkt dat Paulus alleen aan mannen denkt, zie ook Titus 1: 5-9.

« Verstoorde relatie - Kunnen we Niemeijer volgen? »

Werkgroepen



Overige Pagina's