Bezinning Man, Vrouw en Ambt
Studie naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van de synode-besluiten Meppel 2017
home nieuws
werkgroepen
bronnen agenda over ons contact
Dolf te Velde

Dolf te Velde

woensdag 20 juni 2018
Bijbelse gronden?

In besluit 3 van de reeks besluiten over ‘Man/vrouw en ambt’ gaat nog niet over de specifieke kerkelijke ambten, maar spreekt in het algemeen over ‘de inzet van gaven van vrouwen in taakvelden zoals verkondiging, onderwijs, pastoraat, diaconaat’. In het vervolg staan drie vragen centraal:

  1. Wat bedoelt de synode met deze ‘taakvelden’ en met de ‘algemene roeping’ van de christenen waarin mannen en vrouwen gelijk delen?
  2. Welke bijbelse lijnen trekt de synode in de onderbouwing van dit besluit?
  3. Wat is er te zeggen over de manier waarop gegevens uit de Bijbel door de synode gebruikt worden?
Taakvelden

Wanneer de synode spreekt over ‘taakvelden’, gaat het om een term die in het vak Gemeenteopbouw gebruikt wordt om het geheel van inzet en activiteiten rond een bepaalde kernfunctie van de christelijke gemeente aan te duiden. Daaronder vallen zowel ambtelijke als niet-ambtelijke taken. Er gebeurt in de gemeente gelukkig veel meer dan alleen het werk van de ambtsdragers. In zekere zin zijn de kernfuncties verkondiging, onderwijs, pastoraat en diaconaat, die hier genoemd worden, aan de gemeente als geheel toevertrouwd.

In de betoogtrant van de gronden bij besluit 3 wordt sterk ingezet bij wat je zou kunnen noemen het ‘algemeen ambt’ van alle gelovigen. Een van de eersten die over het ‘algemeen priesterschap’ van christenen sprak, is Maarten Luther. In 1520 schreef hij dit: ‘Paus of bisschop is niet meer dan de geringste priester en deze niet meer dan een gewoon christenmens, al was het vrouw of kind, want ieder die uit de doop gekropen is, is priester en kan de naaste, die hem zijn schuld belijdt, in naam van God de zonde vergeven.’ Tegenover de rooms-katholieke leer die de gelovigen afhankelijk maakte van de ambtelijke hiërarchie in de kerk, poneerde Luther dat de volmacht om zonden te vergeven door ieder gedoopt christen kan worden bediend.

Nu zal niemand ontkennen dat op een fundamenteel niveau elke christen de roeping heeft om als priester zijn of haar leven als een dankoffer aan God te wijden, en met woorden en daden Gods grote daden in de wereld te verkondigen. Dit laatste is de invulling die de apostel Petrus in zijn eerste brief (1 Petr. 2:9) geeft aan de bijzondere positie die Gods volk krijgt in de woorden uit Exodus 19:6.

Kortsluiting ontstaat echter, wanneer vanuit deze algemene roeping om als christen de naam van God groot te maken op alle terreinen van het leven, een lijn getrokken wordt naar bijzondere activiteiten en taken in de christelijke gemeente. Suggestief is het wel: als alle christenen, jong of oud, man of vrouw, de zalving met de Heilige Geest ontvangen, wie zal ze dan beletten om op alle fronten actief te zijn? Toch schiet de redenering van de synode tekort, omdat niet wordt aangetoond dat het veelzijdige optreden op de taakvelden in de gemeente – met daarin een combinatie van ambtelijk en niet-ambtelijk functioneren – direct aan dit ‘algemeen ambt’ verbonden moet worden. Juist voor de inzet van gaven en de onderlinge taakverdeling daarbij in de christelijke gemeente geven de apostolische brieven een veelheid van gerichte en concrete instructies.

Volgens het Nieuwe Testament ontvangen de ‘bijzondere ambten’ een eigen karakter en een eigen legitimatie in de instelling door Christus en zijn apostelen. De geschiedenis van Handelingen 6 maakt aanschouwelijk hoe dit in z’n werk ging. In de bearbeiding van de gemeente deed zich een knelpunt voor, de apostelen konden het niet meer alleen af. De oplossing is dan niet dat ze iedereen aansporen om vanuit het ‘algemeen priesterschap’ het beste beentje voor te zetten en tot een organische taakverdeling te komen, maar dat ze op zoek gaan naar een geschikt stel mannen om dit ‘taakveld’ te coördineren en daarin voorop te gaan. De handoplegging (Hand. 6:6) symboliseert dat zij speciaal in deze functie worden aangesteld en daarbij de bijzondere toerusting van de Heilige Geest ontvangen.

Van Oud naar Nieuw

Een belangrijke lijn in de onderbouwing van besluit 3 is de ontwikkeling die geschetst wordt van het Oude naar het Nieuwe Testament. Zonder dat de synode met zo veel woorden over ‘hermeneutiek’ spreekt, wordt hierin een zeer bepaalde hermeneutiek zichtbaar, die nadere aandacht verdient. Ik vat deze leeswijze van Oude en Nieuwe Testament samen met drie woorden: overdrijving, concentratie en tegenstelling.

De eerste grond bij besluit 3 schetst een nogal conservatief beeld van hoe verschillende functies (ambten) ingevuld waren in Israël, onder het Oude Verbond. Reguliere ambten en buitengewone ‘kerkelijke leidinggevende functies’ worden doorgaans door mannen vervuld. Het optreden van vrouwen als Debora en Mirjam is de uitzondering die de regel bevestigt (grond 1). Je zou verwachten dat hiermee voorgesorteerd wordt op een blijvende taakverdeling tussen mannen en vrouwen met betrekking tot het leidinggeven in de kerk. Het bevestigingsformulier voor ouderlingen en diakenen dat in onze kerken wordt gebruikt, stelt immers: ‘Oudsten vinden we al in het Oude Testament; ze bekleedden daar een leidende functie’. De oudsten/ouderlingen in de nieuwtestamentische gemeenten staan, volgens deze uitlegtraditie, in continuïteit met de oudsten in Israël. Die continuïteit heeft te maken met wat klassiek ‘een regeerambt’ heet.

Al gauw blijkt echter dat de synode niet die kant op denkt. De tamelijk zwart-witte schets van hoe onder het oude verbond de ambtelijke dienst functioneerde (grond 3), brengt de synode tot de emotionele uitspraak: ‘Zo is onder het Oude Verbond gesmacht om de komst van het Nieuwe.’ Deze hartenkreet is eerder in grond 2 ingevuld met het bijbelse ‘verhaal’ over de ‘sleutelrol, die vrouwen in de loop van de heilsgeschiedenis onder Gods volk hebben vervuld’, en dat staat ‘in schril contrast met het falen van mannen’. Volgens de synode kunnen we dit onder andere aflezen aan het geslachtsregister van Jezus Christus in Matteüs 1:1-17. Mijns inziens wordt het ‘verhaal’ hier zo gekleurd gebracht, dat je van overdrijving kunt spreken. Inderdaad bevatten een aantal geschiedenissen die door de namen in Matteüs 1 worden aangestipt, voorbeelden van moreel dubieus optreden van mannen als de aartsvader Juda en de gezalfde koning David. Het feit dat God deze gebeurtenissen meeneemt in de realisering van zijn heil laat niet zozeer het falen van mannen zien, maar getuigt breder van Gods trouw waarmee hij dwars door het falen van mensen heen zijn verlossing – zoals in de moederbelofte aangekondigd – doorzet. De synode plaatst een aantal elementen uit de heilsgeschiedenis wat geforceerd in het genderperspectief van mannen versus vrouwen.

De grote Ambtsdrager

De volgende stap is: concentratie. In grond 3 wordt vanuit het Oude Testament, met z’n onvolkomenheden, de stap gezet naar het Nieuwe Testament. Mooi is hier hoe Christus getekend wordt als de vervulling van de menselijke ambtsdienst. Als de grote Ambtsdrager maakt Christus een nieuwe situatie mogelijk waarin het hele volk van God deelt in zijn zalving en zo een ‘koninkrijk van priesters’ zal zijn. De argumentatie van de synode sluit hier aan bij een goed gereformeerd principe, namelijk om de Schriften van Oude en Nieuwe Testament te lezen met het oog op Christus. Tegelijk vraag ik mij af of déze vorm van concentratie op Christus overtuigend is. In ieder geval is het verband met de bezinning op taak en plaats van mannen en vrouwen in de gemeente nogal indirect. Om van hieruit tot een praktische toepassing in taakvervulling en taakverdeling in de gemeente te komen, zijn nog wel een paar stappen nodig. Het synodebesluit laat op dit punt te weinig ruimte voor het eigene in de roeping van mannen en vrouwen.

Als laatste element in de impliciete hermeneutiek van de gronden 2 en 3 noem ik: tegenstelling. Om de stelling te verdedigen dat de ‘vervulde ambtsdienst’ van Christus tot gevolg heeft dat ook de christenen – man of vrouw – allen gelijkelijk in zijn zalving delen, maakt de synode een grote tegenstelling tussen het ‘verouderde’ van het Oude Verbond en de veel betere toestand in het Nieuwe Verbond. In een ingezonden artikel in het Nederlands Dagblad van 13 juli 2017 leverde prof. Eep Talstra stevige kritiek op deze – in zijn woorden – onderwaardering van het Oude Testament. Moeten we dat eigenlijk wel willen: de regeling onder het Oude Testament negatief typeren omdat we toe willen naar een situatie van gelijkwaardigheid?

Schriftverstaan

De derde en laatste vraag die ik aan de orde stel, betreft de verdere hantering van een aantal belangrijke schriftgegevens. Over de status van het beroep op de heilige Schrift spreekt de synode niet eenduidig. Aan de ene kant roept zij ertoe op, kritisch te kijken naar het schriftverstaan van de kerk. Deze bescheidenheid en zelfkritiek lijkt echter te ontbreken wanneer grond 4 begint met ‘deze openbaring van Oud en Nieuw Testament’. Krijgt de interpretatie van enkele lijnen uit de Bijbel zoals grond 1 t/m 3 die presenteren, hier zomaar het gezag van ‘openbaring’?

Ernstiger en beslissender is hoe de redenering verdergaat in grond 5 bij besluit 3. De synode trekt de conclusie ‘dat het getuigenis van de Schrift alle aanleiding geeft aan de gemeente van het Nieuwe Verbond, om mannen en vrouwen gelijkwaardig te laten functioneren in al de profetische, priesterlijke en koninklijke taken in de kerk’. De term ‘alle aanleiding’ is wel rijkelijk vrijblijvend, zeker wanneer in de tweede helft van dezelfde grond wordt gesteld dat bepaalde bijbelteksten ‘geen onbetwistbare grond’ kunnen zijn voor een andere conclusie. Meet de synode hier met twee maten als het gaat om de ‘bewijslast’? Aan de ene kant is ‘alle aanleiding’ genoeg voor bijbels materiaal dat de inschakeling van vrouwen alle ruimte geeft; aan de andere kant wordt een ‘onbetwistbare grond’ gevraagd bij bijbelteksten die daaraan een inperking geven. Dat lijkt mij geen faire verdeling.

Exegese geweigerd

Het meest problematisch is de wijze waarop grond 5 omgaat met ‘die plaatsen in de Schrift, waar sprake is van een apostolisch voorschrift inzake zwijgen, resp. niet leren of gezag oefenen door vrouwen’. Uiteraard wordt hier gedoeld op 1 Korintiërs 14:34-36 en 1 Timoteüs 2:11-15.

In de tot nu toe geldende visie speelden deze twee teksten een belangrijke rol, omdat Paulus hier (a) expliciete en concrete aanwijzingen geeft over het gedrag van vrouwen in de (samenkomsten van) de gemeente, en (b) verwijst naar meer fundamentele zaken zoals ‘de wet’ (in 1 Kor. 14) en de geschiedenis van schepping en zondeval uit Genesis 2 en 3 (in 1 Tim. 2). Het risico van de omgang met deze twee teksten in de discussie over ‘de vrouw in het ambt’ is, dat zij te veel op zichzelf komen te staan. Dan zijn ze op een gegeven moment de laatste ‘lastige’ teksten waar we omheen proberen te komen.

De synode doet dit inderdaad in grond 5. Zij constateert dat de exegese van deze schriftplaatsen ‘te zeer omstreden’ is, en schakelt ze daarom uit van de bezinning. Ik vind dit een ongehoorde stap. Wanneer op een aangelegen punt het kerkelijk beleid gewijzigd wordt, zal er toch tenminste een verantwoording moeten komen van de redenen waarom wij nu tot een andere overtuiging komen.

Kernnoties

Niet alle exegetische vragen rond Paulus’ voorschriften in 1 Korintiërs 14 en 1 Timoteüs 2 zijn zomaar een-twee-drie op te lossen. Dit betekent niet dat we ze dan maar aan de kant kunnen schuiven. Binnen de marges van onzekerheid over allerlei details blijft er een aantal elementen waar wij iets mee moeten.

Allereerst het feit dat Paulus verwijst naar ‘de wet’ (1 Kor. 14) en naar de geschiedenis van schepping en zondeval uit Genesis 2 en 3 (1 Tim. 2). Dat Paulus hierop zijn instructies baseert, laat zien dat het voor hem dieper ligt dan alleen maar wat toevallige aanwijzingen voor de context van toen. In wet en schepping ligt blijkbaar iets van Gods bedoeling voor mannen en vrouwen, dat nog altijd richtinggevend is voor ons. De lijn in de Bijbel die een onderscheid in taak en positie aangeeft voor mannen en vrouwen, is té constant en wordt ook in het Nieuwe Testament té zeer tot het einde toe volgehouden, om dit alleen op het conto van de context van toen te schrijven.

Vervolgens kunnen we inhoudelijk kijken naar het optreden van vrouwen dat al dan niet passend is. Het ‘zwijgen’ dat Paulus aan de vrouwen in Korinte oplegt, heeft een inhoudelijke lading die we uit de context zo goed mogelijk moeten afleiden. Uiteraard gaat dit er niet over dat vrouwen op geen enkele manier hun stem mogen laten horen, zelfs niet bij het zingen. Eerder lijkt het te gaan om deelname aan het gemeentebrede beraad in de beoordeling van profetieën. Die lijn van uitleg volgde de synode van Ommen in 1993 toen het ging om kiesrecht voor de vrouwen. In dat beoordelend meespreken is een element van gezag en beslissing aanwezig dat een relevant argument kan zijn in verband met de vraag naar ‘de vrouw in het ambt’. Ook de uitdrukkingen over ‘onderwijs geven’ en ‘gezag uitoefenen’ in 1 Timoteüs 2 hebben een inhoudelijke lading die we kunnen proberen op een positieve manier te omschrijven. Anders onttrekken we ons aan een belangrijk stuk van de strekking van deze teksten. Wanneer door de deputaten geopperd wordt dat het woord voor ‘gezag uitoefenen’ de negatieve bijklank heeft van ‘de baas spelen’, is dat mijns inziens een gezochte uitleg die niet klopt met de beschikbare kennis over het gebruik van dit woord in de tijd van Paulus.

Ten slotte gaat het om de houding die wij ten opzichte van Paulus’ woorden aannemen: zijn wij erop gericht om zijn instructies mee te nemen naar ons handelen vandaag, ook als we niet alle details precies overzien? Of laten we ze te gemakkelijk achter ons vanwege de afstand in tijd en cultuur? Ik geloof dat deze teksten nog altijd iets te zeggen hebben voor bepaalde vormen van optreden in het geheel van de gemeente, en dat ze dus een rol moeten blijven spelen in het nadenken over ‘vrouw en ambt’.

Samenvattend

De verwoording en onderbouwing van besluit 3 bevat een aantal mooie en waardevolle elementen, zoals de nadruk op de volle inzet van vrouwen en mannen op alle terreinen van het gemeente-zijn, en de centrale aandacht voor Christus in de bezinning op het ambt. Toch overtuigt de argumentatie als geheel niet. Op basis van algemene overwegingen over ‘ambt’ of ‘roeping’ van alle gelovigen kunnen geen conclusies worden getrokken over het functioneren in de diverse taakvelden binnen de gemeente. Voor het pleidooi om vrouwen in al die taken volop te laten participeren had de synode eenvoudig kunnen wijzen op de gevarieerde inzet van vrouwen op vele plaatsen in de nieuwtestamentische gemeenten. Nu wordt er omwille van de besluitvorming een hermeneutisch sjabloon gehanteerd dat aan het Oude én het Nieuwe Testament geen recht doet. Echt onverteerbaar is de wijze waarop aan de zogenoemde zwijgteksten het zwijgen is opgelegd. Ze staan genoemd in de gronden bij een besluit dat nog niet rechtstreeks over de specifieke ambten van ouderling en predikant gaat. Maar door hier al te verklaren dat deze teksten ‘geen onbetwistbare grond’ zijn, onttrekt de synode zich aan de verantwoording die vanuit de uitleg van deze teksten gegeven moet worden.

Uit Nader Bekeken jrg. 25, nr. 1, januari 2018 - Dolf te Velde

« Moederliefde en moederschap: mythe of gave? - ‘Ruimte’ voor de mens ten koste van Gods Woord »