Bezinning Man, Vrouw en Ambt
Studie naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van de synode-besluiten Meppel 2017
home nieuws start hier
werkgroepen
bronnen agenda over ons contact
Henk Room

Henk Room

donderdag 15 maart 2018
De mens (m/v), priester in de hof van Eden?

Het boek Zonen & dochters profeteren (Zoetermeer, 2016) voert een gedreven pleidooi voor openstelling van alle ambten voor vrouwen in de gemeente. Redactie en auteurs zijn van mening dat zij door zorgvuldige exegese tot hun overtuiging gekomen zijn: er worden verschillende gedeelten uit de Bijbel besproken. Elk hoofdstuk is geschreven door minstens twee auteurs. Daarbij bewaakte de redactie nog eens de hoofdlijn in het boek, de lijn van argumenteren en de verschillende argumenten.

Zorgvuldig

Toch is juist in dit opzicht de kritiek niet mals. Zo schreef dr. Bouter (PKN) in een recensie dat hij het boek niet rustig en evenwichtig vindt argumenteren. De auteurs weten eigenlijk al van tevoren waar ze naartoe willen. Die indruk wekken de meeste hoofdstukken (RD, 12 dec. 2016).

Ook dr. Versluis (CGK) geeft aan dat hij het boek nogal tendentieus vindt. De auteurs schrijven naar één conclusie toe die telkens wordt herhaald. De uitleg van de zwijgteksten is niet overtuigend. Het ontbreekt aan bezinning hoe je bijbelse gegevens vertaalt naar nu. Het is een boek, zo eindigt hij, dat vooral mensen wil bevestigen in hun eigen overtuiging (De Wekker, 25 nov. 2016).

Adrian Verbree laat in zijn Kruimeldief (ND, 22 apr. 2017) merken dat hij tegen hetzelfde aanloopt. Hij doet dat door middel van een korte bespreking van argumenten uit een klein gedeelte in hoofdstuk 3 van het boek. In dat hoofdstuk komen de auteurs met een uitleg van Genesis 2 en 3. Onder andere een uitleg over de hof van Eden: die hof was in feite een tempel en de mens (m/v) deed daar dienst als priester. Verbree beoordeelt de argumenten hiervoor als ‘lariekoek’ en ‘zo lek als een mandje’. Dit is hem door de redactie van het boek niet in dank afgenomen (ND, 26 apr. 2017).

Hoe zit het nou? Levert Zonen & dochters profeteren een gedegen stuk exegetisch werk? Of valt dat nogal tegen? Om een antwoord te vinden zou je alle hoofdstukken moeten bespreken. Voor een artikel als dit gaat dat te ver. Het kan ook nuttig zijn een steekproef te nemen. Daarom ga ik met dit artikel alleen op dit ene hoofdstuk in, hoofdstuk 3.

Waarom dit hoofdstuk?

Dit hoofdstuk brengt twee interessante gedachten naar voren, die door de auteurs als fundamenteel worden gezien.

  1. De eerste mens werd niet als man geschapen, maar als mens. Pas toen de Here God uit de zijkant van deze mens de vrouw had gemaakt, was de man er ook. Vandaar dat dit hoofdstuk de titel draagt: De mens wordt man en vrouw.
  2. De hof van Eden was (zoals gezegd) eigenlijk een tempel, waarin Adam en Eva beiden als priesters aan het werk waren.

Door in te gaan op dit hoofdstuk is er zo de gelegenheid om:

  1. kennis te maken met deze nogal exotische uitleg van de eerste mens in Genesis 2. Die uitleg is trouwens naar mijn overtuiging niet zo van belang voor de vraag naar de openstelling van alle ambten voor vrouwen (zie hieronder). Maar veel meer voor de discussie rond schepping en evolutie en de plaats van de mens daarin. En voor het gesprek rond homoseksualiteit. Het is daarom toch goed naar deze uitleg te kijken.
  2. na te gaan of Verbree gelijk heeft wanneer hij de argumentatie over de hof van Eden als heiligdom, met de mens als priester (m/v), schromelijk te kort ziet schieten. En om de reactie van de redactie te wegen.
  3. vanuit dit hoofdstuk een (beperkte) eerste indruk te krijgen of Zonen & dochters al dan niet gedegen werk maakt van de exegese.
Winstpunten

Er zijn verschillende positieve punten te noteren bij wat in hoofdstuk 3 naar voren komt. Uiteraard kun je altijd wel van mening verschillen op onderdelen. Een niet onbelangrijk punt is overigens de mening van de auteurs met betrekking tot Genesis 2:7. Zij lezen hier dat God zijn eigen levensadem bij de mens inblaast (p. 29). Dat staat er echter niet. En ook de verwijzingen naar andere schriftplaatsen overtuigen niet. Maar de auteurs geven aan dat op dit punt discussie mogelijk is.

Positief is, dat de auteurs ondanks deze mening benadrukken dat de mens is gevormd uit het stof van de aarde. Hij hoort helemaal bij de aarde. Hij is mens en geen God (p. 29). Verder: Adam krijgt in Eva een helper die niet aan hem ondergeschikt is, maar die hem zelfstandig bijstaat. Terecht benadrukken zij dat man en vrouw volledig aan elkaar gelijkwaardig zijn. Samen zijn ze naar het beeld van God geschapen.

Niet dat dit nieuwe dingen zijn (zie Huwelijksformulier). Maar het is terecht om dit te noteren. Wel valt op dat deze gelijkwaardigheid haast synoniem wordt voor gelijkheid. De sterke nadruk op gelijkheid laat vervolgens weinig ruimte over voor de ongelijkheid tussen man en vrouw. Ongelijkheid wordt gelijkgesteld met hiërarchie. Maar goed, daar gaat het nu niet over.

Drie vragen

Op welke vragen zoek ik antwoord?

  1. Zijn de auteurs overtuigend, wanneer volgens hen Genesis 2 vertelt dat God eerst een algemeen soort ‘mens’ heeft geschapen, waaruit Hij daarna een man en een vrouw schiep? Mijn antwoord geef ik hier alvast: nee.
  2. Heeft Verbree gelijk als hij de argumentatie voor de hof als tempel met man en vrouw als priesters, fors tekort ziet schieten? Antwoord: ja.
  3. Redeneert men in dit hoofdstuk al bij voorbaat toe naar openstelling van alle ambten voor man en vrouw? Antwoord: ja.

Wérd de mens in Genesis 2 tot man en vrouw?

Adam moet voorafgaand aan de schepping van Eva niet als man worden gezien, maar als mens (p. 38). De eerste mens is een soort ‘eenheidsmens’ waaruit daarna man en vrouw gespleten zijn. God kliefde die mens in tweeën, de vrouw is dan letterlijk de wederhelft van de man (p. 34).

Wat is bedoeld?

Begrijp ik de auteurs wel goed? Jazeker. Ik noem slechts een paar voorbeelden uit hoofdstuk 3, die dit beeld bevestigen. De auteurs schrijven:

  • Vóór de schepping van Eva is het tweevoud van mannelijk en vrouwelijk nog niet aan de orde (p. 29).
  • Mannelijk en vrouwelijk is een ontplooiing die later komt. De Heer schept op dit moment geen man, maar een mens (p. 29).
  • We moeten het niet zo zien dat de man al compleet was en dat er dan iemand bij komt, namelijk een vrouw (p. 29).
  • Grappig, vind ik, maar tegelijk sprekend is wat staat in noot 9. Deze noot hoort bij p. 31: het gaat over die eerste mens. Hij krijgt een heel speciale plaats, namelijk in de hof van Eden. Bij dat ‘hij’ staat in de hoofdtekst de verwijzing naar noot 9. Noot 9 geeft aan: ‘Ter wille van de leesbaarheid gebruiken we mannelijke grammaticale vormen, zoals dat ook in het Hebreeuws in Gen. 2 gebeurt.’ De auteurs voelen zich kennelijk wat in verlegenheid gebracht. Met welk geslacht moet je die eerste mens nu aanduiden? (Trouwens, net als in het Hebreeuws is het ook in het Nederlands correct om ‘hij’ te gebruiken, wanneer mannelijk en vrouwelijk samen wordt bedoeld).
Waarom belangrijk?

Deze ‘eenheidsmens’ laat voor het besef van de auteurs zien dat man en vrouw volstrekt gelijkwaardig zijn en niet hiërarchisch zijn gepositioneerd (p. 38). Wanneer die eerste mens man en vrouw inéén was én wanneer die mens dienst deed in het heiligdom van de Here (hof van Eden), dan lijkt het vanuit Genesis 2 - 3 niet in te zien waarom vandaag ambten voor vrouwen gesloten zouden moeten zijn.

Toch is voor die volstrekte gelijkwaardigheid van man en vrouw naar mijn idee zo’n eerste ‘eenheidsmens’ niet nodig. Daarvoor is toch voldoende dat man en vrouw samen naar Gods beeld zijn gemaakt? Of moet deze eerste mens de volstrekte gelijkheid van man en vrouw aantonen? Maar ook dat is niet nodig. Adam en Eva zijn beiden aan elkaar gelijk als mens. Terecht zeggen de auteurs, dat Adam juist die gelijkheid bezingt wanneer hij Eva als zijn vrouw ontvangt (p. 34). Bovendien, gesteld al dat God Adam en Eva in alle gelijkheid uit zo’n eerste mens geschapen zou hebben, dan nog kan God hen in een verschillende positie ten opzichte van elkaar hebben geplaatst. Zo is de één helper van de ander.

Een nieuw idee?

De eerste mens als biseksueel of androgyn eenheidswezen is overigens al een heel oud idee. Het komt al voor bij Plato rond 400 v.Chr. Oorspronkelijk waren de mensen volgens hem dubbelwezens. Man-vrouwen, man-mannen en vrouw-vrouwen. Ze hadden twee hoofden, vier armen en vier benen. Toen ze hun plaats tegenover de goden niet meer kenden, werden ze als straf in tweeën gesneden. Sindsdien zoekt ieder vol verlangen naar een ‘wederhelft’ die helemaal past.

Het idee van een oorspronkelijke ‘eenheidsmens’ dook eeuwen geleden af en toe wel eens op in de exegese. Opvallend is hoe het de laatste decennia opnieuw naar voren komt in literatuur en (vooral feministische) exegese.

Welke argumenten?

Welke argumenten worden voor een eerste ‘eenheidsmens’ in Zonen & dochters aangevoerd? Ik heb ze niet kunnen vinden. Het idee wordt aan het begin geponeerd (p. 29 en 30). Aan het eind komt het er als conclusie weer uit (p. 38).

Wel lijkt het er even op dat een argument gevonden is in de naam van de eerste mens (p. 30). De naam Adam komt namelijk als soortnaam (mens) en als eigennaam (Adam) voor in de eerste hoofstukken van Genesis. Maar terecht laten de auteurs zien dat die eerste mens (soortnaam) zich in Genesis 2:23-24 identificeert met de man. En dat met terugwerkende kracht (p. 30). Waarom de schrijvers dan toch bij het idee van een ‘eenheidsmens’ (m/v) blijven, is gissen.

Bovendien ligt het ook wel voor de hand dat de eerste mens met de soortnaam ‘mens’ wordt aangeduid. Er waren nog geen andere mensen waarvan hij zich met een eigennaam zou moeten onderscheiden. Die soortnaam volstaat voor de ene mens, die zich met terugwerkende kracht als man identificeert.

De auteurs leunen in dit hoofdstuk sterk op het werk van John H. Walton (zie noot 1, p. 233).1 Maar ik heb niet kunnen vinden dat Walton dit idee aandraagt. Ook denkt Walton niet aan het fysiek door midden splijten van die eerste mens (Walton, 2015, p. 80).

‘Eenheidsmens’ (m/v) als eerste mens?

Er is een groot aantal aanwijzingen dat Genesis over de eerste mens vertelt als de man Adam.

  • Om te beginnen is er geen enkele hint in de vertelling van Genesis 1 - 3 die erop wijst dat de eerste mens een soort ‘eenheidsmens’ was. Of dat hij biseksueel of androgyn zou zijn. Nergens is dat hier een verteldoel.
  • Verder ontbreekt vanuit hoofdstuk 1 komend, elke aanleiding om dat te veronderstellen. ‘God schiep de mens’, zegt 1:27. ‘Naar zijn beeld schiep Hij hem’ (enkelvoud). Met dit enkelvoud wordt de mens als collectief aangeduid. Daarna volgt een meervoud: ‘mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.’ Dit meervoud maakt duidelijk dat het ene individu niet beide zowel mannelijk als vrouwelijk is (zie ook Walton, p. 60). Er is dus geen hint dat de eerst levende mens seksueel ongedifferentieerd was. Ook 5:2 moet je tegen de achtergrond van 2:26-27 lezen.
  • In 2:23 zegt de mens dat uit hem als man de vrouw is gebouwd. Hij is niet pas man als de vrouw is geschapen. Hij wás het al.
  • De soortnaam (mens) en de eigennaam (Adam) worden door elkaar gebruikt in Genesis 1 t/m 5. Er valt daaruit dus niet af te leiden dat de soortnaam betrekking zou hebben op een eerste ‘eenheidsmens’.
  • Dat de eerste mens een man is, sluit aan bij 2:18. Er is nog iets niet goed, omdat deze man alleen is. Hij heeft een helper nodig die bij hem past, een ander mens. Eén die staat op hetzelfde niveau om samen met hem mens voor God te zijn. God geeft hem deze mens in de vrouw, die Hij uit de zijkant (rib?) van Adam maakt.
  • Omdat de Bijbel een eenheid is, moeten we Genesis 2 ook lezen in het licht van het Nieuwe Testament. In 1 Korintiërs 11 wijst dezelfde apostel er niet alleen op dat mannen en vrouwen uit elkaar voortkomen (Zonen & dochters, p. 34). Maar explicieter, dat de man niet uit de vrouw voortgekomen is, maar de vrouw uit de man (1 Kor. 11:7-11). Hier gaat Paulus terug op Genesis 2. Zijn argument heeft alleen zin, wanneer de eerste mens Adam, een man was.
  • In 1 Timoteüs 2:13 noteert de apostel, dat Adam eerst werd geschapen, pas daarna Eva. Opnieuw: dit argument in een betoog over de onderlinge positie tussen man en vrouw, heeft alleen zin wanneer Paulus hier Adam als man bedoelt.
Evaluatie
  1. De eerste mens als een soort ‘eenheidswezen’ waaruit man en vrouw zijn ontstaan, is een gedachte die door de auteurs alleen wordt geponeerd. Er worden geen argumenten voor geleverd vanuit de exegese. Toch is de conclusie dat dit één van de twee cruciale punten is die uit de exegese van Genesis 2 naar voren komt (p. 38). Cruciaal in verband met de niet-hiërarchische relatie tussen man en vrouw. Zonder argumentatie krijgt een idee hier de status van conclusie.
  2. Het is een gedachte die strijdt met wat Genesis 1 - 3 vertelt. Er is geen deugdelijke exegetische onderbouwing voor te vinden.

Heiligdom met de mens als priesters?

Heeft Verbree gelijk in zijn Kruimeldief? Is de argumentatie voor de hof van Eden als tempel van God waarin man en vrouw als priesters dienen, ver onder de maat? Laten we eerst kijken naar de eerste helft van de bewering.

Hof van Eden heiligdom van God

Welke argumenten worden hiervoor aangevoerd (p. 31)? Het is eigenlijk een reeks van gedachten die op een wat losse manier samenhangen.

  1. De hof van Eden is de tuin van God zelf. Dat klopt, God heeft de tuin gemaakt, de hof is zijn eigendom. Maar daarmee betekent ‘tuin van God’ nog niet hetzelfde als wat later onder ‘tempel’ wordt verstaan.
    In de tweede plaats, inderdaad kom je dit motief ‘tuin van God’ ook tegen in Ezechiël 28:13 en 31:9. In een dichterlijke, figuurlijke setting! In de eerste tekst wordt gezegd dat de koning van Tyrus in Eden was, de hof van God. De laatste tekst vergelijkt Assyrië met een allermooiste boom, nog mooier dan alle bomen in de hof van God. Je kunt hiervan zeggen dat de mooiste en rijkste leefomgeving wordt vergeleken met de hof van Eden. ‘De tuin van God’ mag je vermoedelijk ook vertalen met ‘goddelijke tuin’. Zo mooi was het. De meest machtige mens is een boom die mooier is dan alle bomen in Eden. Maar ook in deze teksten hoeft ‘de tuin van God’ niet hetzelfde te betekenen als in omliggende culturen de ‘godentuin’. En vervolgens is die eventuele ‘godentuin’ niet zomaar gelijk te stellen aan Gods tempel. En bovendien, een dichterlijk beeld in Ezechiël 28 en 31 is nog geen concrete gelijkstelling aan wat Genesis 2 beschrijft.
  2. We vinden in het Oude Testament regelmatig de voorstelling van Gods huis als bron van vruchtbaarheid (Ez. 47; Ps. 46 en 65). Dat betekent echter niet zomaar het omgekeerde. Namelijk dat zo’n vruchtbare hof in Genesis 2 geschilderd wordt als tempel van God. Hierbij moeten de auteurs hun eigen aanwijzingen voor deugdelijke exegese serieus nemen (p. 33). Welke hints geeft Genesis 2 zelf voor hun opvatting? Ik zou het niet weten. Genesis 2 vertelt dat God de hof maakt als plaats van levensonderhoud voor de net geschapen mens. De hof komt er dan ook pas, wanneer de méns er is. Het is in Genesis 2 niet een plaats waar God al woont. De levensboom was ook niet voor God bestemd, maar alleen voor de mens.
  3. De tabernakel en de tempel worden door veel exegeten geduid als replica’s van de tuin van Eden. Ook hier geldt weer: stel, de tabernakel kan worden gezien als een replica van de tuin van Eden, wat je je op zich goed kunt voorstellen. Dan is nog niet het omgekeerde ook waar: de hof van Eden in Genesis is een tempel.
  4. Die duiding is er al heel vroeg in de geschiedenis van de exegese. Maar wat zegt dat?
  5. Archeologen hebben in tempels schilderingen gevonden. In de godenverhalen in Mesopotamië zijn veel elementen te vinden die we ook in Genesis 2 aantreffen. Wat bewijst dit precies?

Na deze reeks volgt dan de conclusie: ‘Er zijn dus goede redenen om de tuin van Eden als Gods heiligdom te zien’. Het is een understatement te zeggen dat deze gedachten mij niet hebben overtuigd!

De eerste mens (m/v) priester?

Nu het tweede deel van de bewering. De eerste mens wordt volgens de auteurs als priester in dit ‘heiligdom’ geplaatst (p. 31). Hier wordt één argument voor aangedragen. De gebruikte Hebreeuwse woorden duiden op het werk van de priesters in het heiligdom (p. 32). De bewijsvoering hiervoor wordt verder aan Walton overgelaten (Walton, p. 106). We kunnen hier kort over zijn.

Over welke werkwoorden gaat het? Over de Hebreeuwse woorden voor ‘bewerken’ en ‘bewaren’. Deze woorden worden echter in heel algemene zin gebruikt. Een paar voorbeelden.

Bewerken: het wordt gebruikt in de zin van bewerken van een akker. In de absolute betekenis van arbeiden. In de betekenis van het dienen als slaaf. In de betekenis van werken om iets te bereiken. In de betekenis van uitvoeren en doen. En inderdaad ook in de betekenis van dienst doen in de cultus.

Bewaren: ook dit werkwoord heeft een brede toepassing. Het wordt gebruikt in de betekenis van bewaken (van mensen, van dieren, van zaken). Ook in de betekenis van het bewaken, beschermen van je leven. Het in gedachtenis bewaren. Het je houden aan een voorschrift of verplichting. Het bewaken in de cultus, dit geldt vooral voor Levieten.

Kortom, deze werkwoorden worden zo breed ingezet, dat ze niet specifiek duiden op het werk van priesters in het heiligdom. Al kunnen ze ook daarvoor worden gebruikt. Ook de combinatie van beide woorden is niet specifiek voor het dienstdoen in Gods tempel.

Evaluatie
  1. Verbree heeft gelijk wanneer hij de argumentatie voor de hof als tempel met man en vrouw als priesters, fors ziet tekortschieten. Ik zeg het wat anders dan hij, maar het komt op hetzelfde neer.
  2. De reactie van de redactie van Zonen & dochters hierop is onder de maat (ND, 26 apr. 2017). Ze geeft aan dat de auteurs van hoofdstuk 3 teruggrijpen op toonaangevende exegeten als Walton en Wenham.2 En ze verwijt Verbree dat hij niet aangeeft waarom hij het oneens is met deze exegeten. Verbree gaat echter wel degelijk in op de argumenten die de auteurs van hoofdstuk 3 hebben ontleend aan deze exegeten. Het is de redactie zelf die niet op (tegen)argumenten reageert.
  3. Wanneer de redactie suggereert dat Verbree niet op de hoogte is van het werk van exegeten, gaat ze te ver. Ik heb me eraan gestoord hoe ze hem wegzet als iemand die niet weet waarover hij het heeft. En dat met een houding van superieure wetenschappelijkheid, die de redactie niet waarmaakt. Hoe past dit bij de bedoeling van Zonen & dochters om met de lezer op zoektocht te gaan naar een positief gesprek en goede antwoorden? Op zo’n manier dat je elkaar als christenen niet tekortdoet (p. 8)? Bovendien, de discussie over de hof van Eden en de plaats van de mens daarin wordt al meer dan anderhalve eeuw gevoerd. Kan de redactie aangeven welke nieuwe argumenten ze vanuit de exegeses van Wenham en Walton heeft ontdekt?
  4. De redactie gaat nogal onkritisch mee met de schrijvers in hun mening dat de mens als priester is aangesteld (in de hof). De Hebreeuwse werkwoorden zouden dat duidelijk maken. De auteurs verwijzen voor bewijs naar J.H. Walton (2015, p. 106). Auteurs en redactie zien daarbij over het hoofd dat ze met de argumentatie van Walton in een cirkelredenering terechtkomen.
  5. De redactie zegt in reactie op Verbree dat ook bij Wenham een keur aan argumenten is te vinden voor de hof van Eden als heiligdom van God en de mens als priesters daarin. Ik ben benieuwd welke keur dat is. Bovendien, Wenham formuleert voorzichtig en ziet het risico wanneer je vanuit de symboliek van tabernakel of tempel terugredeneert naar de hof van Eden als tempel. Dat gaat al gauw ten koste van wat Genesis 2 vertelt. Namelijk dat deze hof een concrete plek in onze werkelijkheid was aan het begin van de geschiedenis (Wenham, 1987, p. 61-62).
  6. De redactie schrijft (ND, 26 apr. 2017): ‘In onze visie verdient het onderwerp vrouw en ambt zorgvuldige exegeses.’ Helemaal mee eens! Daarop vervolgt ze: ‘Daarom telt Zonen & dochters ook ruim 280 pagina’s.’ Ik zou zeggen: het had ook best met minder pagina’s toegekund. Maar daarvoor heb je net als voor het eerste (zorgvuldige exegese) wel voldoende kritische auteurs en een voldoende kritische redactie nodig.
Indruk van Zonen & Dochters

Het was de bedoeling een (beperkte) eerste indruk te krijgen van Zonen & dochters via bespreking van hoofdstuk 3. Maakt dit boek gedegen werk van de exegese? Hoofdstuk 3 geeft die indruk beslist niet. De constatering ‘de mens functioneert als priester in het heiligdom van God’, wordt niet hard gemaakt. De slotconclusie ‘man en vrouw werken dus in Gods heiligdom en zijn in die zin vergelijkbaar met de hedendaagse kerkelijke ambtsdragers’, hangt volledig in de lucht.

De tempel werd in het Oude Testament nodig, na de zondeval. Het was eigenlijk een ‘noodvoorziening’. Op deze manier kon God toch wonen bij zijn volk. Je kunt Adam en Eva op een bepaalde manier inderdaad priesters noemen. Net zoals wij vandaag als christenen geroepen worden profeten, priesters en koningen te zijn. Maar er is in Genesis 2 geen sprake van een speciaal heiligdom beperkt tot de hof waar God woonde. En dat daar de mens apart in een bijzonder ambt is aangesteld.

Mijn evaluatie van dit hoofdstuk strookt met wat Bouter, Versluis en Verbree vonden. De schrijvers van hoofdstuk 3 wekken de indruk naar één conclusie toe te schrijven. Al vanaf de eerste hoofdstukken van de Bijbel is voor hen duidelijk dat alle ambten openstaan voor de vrouw (Verbree). Daarbij is de redactie zeer onkritisch omgegaan met de argumenten die de auteurs aandroegen. Het lijkt erop alsof ze samen in een tunnelvisie terechtgekomen zijn, waarbij elke gedachte die daarmee strookt, te gretig wordt omarmd.

Uit Nader Bekeken, jrg. 24, nr. 7/8, juli/augustus 2017- Rondblik (versie website) – Henk Room

Noten:

1 John H. Walton, The Lost World of Adam and Eve. Genesis 2-3 and the Human Origins Debate, Illinois, 2015.

2 Gordon J. Wenham, ‘Genesis 1-15’, in: Word Biblical Commentary, Waco, Texas, 1987.

« Het gezag van Debora, het ongeloof van Barak en de les van Jaël (Gerrit Veldman) - Allemaal volmaakt en toch verschillend - Brief Veertien »