Bezinning Man, Vrouw en Ambt
Studie naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van de synode-besluiten Meppel 2017
home nieuws
werkgroepen
bronnen agenda over ons contact
zaterdag 24 februari 2018
Discussie grensoverschrijdend gedrag

Nadat in oktober 2017 op sociale media de #MeToo-beweging ontstond, volgde al snel #ChurchToo. Onder deze noemer werden vele onthullingen gedaan over seksuele intimidatie en seksueel overschrijdend gedrag binnen de kerken.  Voor Maarten Verkerk, mede-auteur van het boek ‘Zonen en dochters profeteren’, was dit aanleiding om in een opinieartikel in het ND een verbinding te leggen met de gezagsstructuur in de kerken. Hij meent op basis van wetenschappelijk bewijs te kunnen stellen dat seksueel overschrijdend gedrag juist daar veel voorkomt waar mannen leiding geven en vrouwen weinig macht hebben. Bovendien meent hij dat de belangstelling voor de complementaire visie van Piper en Grudem in dit verband verontrustend is.

Ida Slump-Schoonhoven reageerde op dit artikel. Zij stelt dat de wetenschappelijke onderbouwing van Verkerks stelling geen hout snijdt, en dat hij een vertekend beeld geeft van de opvattingen van Piper en Grudem, die volgens haar eerder heilzaam zijn dan zorgwekkend.

Verkerk zette de discussie voort op manvrouwkerk.wordpress.com. Hieronder leest u de discussie, inclusief het tweede antwoord van Ida Slump.


6 januari 2018 - Maarten Verkerk - Nederlands Dagblad

Waarom gaat het in de kerk zo weinig over de vloek van de zondeval: dat mannen willen heersen?
Het is een vloek van de zondeval, dat mannen de baas willen zijn. Waarom hebben we het daar in de kerk zo weinig over? Twee woorden hebben de wereld veranderd: Me too . Ik ook. Meer dan een miljoen vrouwen hebben hun verhaal over seksueel geweld en seksuele intimidatie gedeeld op de sociale media. Ze hebben daders aangeklaagd, met alle gevolgen van dien. Seksueel grensoverschrijdend gedrag komt ook in de kerk voor: Church too . Zullen deze twee woorden de kerk veranderen?
De sociale media vertellen bittere verhalen van Church too . Over aanranding en verkrachting door kerkelijke leiders en gemeenteleden. Verhalen waarin de slachtoffers de schuld krijgen of gedwongen worden de daders te vergeven. Of waarin daders vrijuit gaan en de zonde in de doofpot verdwijnt.

meldpunten
Om seksueel grensoverschrijdend gedrag tegen te gaan, worden in onze samenleving codes ontwikkeld, meldpunten opgezet en wordt er gewerkt aan bewustwording. Deze benadering is (terecht) door veel kerken overgenomen. Uit onderzoek door de sociologen Frank Dobbin en Alexandra Kalev blijkt echter dat dit niet voldoende is. Seksueel grensoverschrijdend gedrag floreert overal waar mannen leidinggeven, vrouwen weinig macht hebben en weinig vrouwen actief zijn in de kerntaken van de organisatie. Kennelijk ontstaat er dan een cultuur waarin het kwaad gemakkelijk de ruimte krijgt. Wat betekent dit voor de kerk? Is dit een argument om vrouwen aan te stellen in leidinggevende functies en ervoor te zorgen dat zij actief zijn in alle kerntaken? Misschien wel. Maar die discussie wil ik nu niet voeren. Ik wil graag een ‘spade dieper’ steken. Een van de meest confronterende bijbelteksten is Genesis 3, waar de gevolgen van de zondeval voor de man-vrouwrelatie getekend worden: mannen zullen over vrouwen heersen. (Ook) met macht en geweld. Ik heb deze tekst als goed gereformeerde man vele jaren beaamd. Maar toen ik deze tekst nader ging onderzoeken – als onderdeel van mijn studie naar geweld tegen vrouwen – besefte ik dat deze tekst een existentiële laag heeft: die tekst gaat over de gevolgen van de zonde voor álle mannen. Dus ook over mij. Uiteindelijk ben ik geen haar beterdan Harvey Weinstein, Bill Cosby en Donald Trump. Toch wordt in kerken nauwelijks nagedacht over de vraag: wat is er met de man aan de hand? Het heersen van mannen is kennelijk vanzelfsprekend.

vernieuwing
Er is in kerken ook weinig aandacht voor de innerlijke vernieuwing van mannen. In Efeziërs 5 wordt het beeld van hoofd en lichaam gebruikt. Met dit beeld werd in de Romeinse cultuur de verhouding tussen de keizer en het volk beschreven. De keizer (hoofd) had absolute macht over het volk (lichaam) en het volk moest zich voor de keizer opofferen. Als Paulus een kind van zijn tijd zou zijn geweest, dan had hij geschreven: ‘Mannen, jullie hebben absolute macht over je vrouw’ en ‘Vrouwen,jullie moeten je opofferen voor je man.’ Maar dat doet Paulus niet. Hij houdt mannen het voorbeeld van Christus voor: ‘Mannen, houd van je vrouw en zorg voor haar’ en ‘Mannen, offer je op voor je vrouw.’ Dat is een confronterende tekst, omdat mannen zich niet willen opofferen, maar willen heersen. Maar het is ook een bemoediging: Christus kan mannen vernieuwen. Ik ben er niet gerust op. In veel gereformeerde en evangelische kerken lijkt sprake van een revival van de Romeinse opvatting van het hoofd-zijn. Dit blijkt onder andere uit de belangstelling – bijvoorbeeld – voor de Amerikaanse theologen John Piper en Wayne Grudem. Zij pleiten in hun boek Recovering Biblical Manhood and Womanhood voor ‘bijbelse complemen​ tariteit’ : man en vrouw zijn niet gelijk, de man is het hoofd, hij heeft het gezag, de vrouw is onderdanig en zo vullen ze juist in hun verschillen elkaar aan – in het huwelijk en in de kerk. Het is dus een relatie die gekenmerkt wordt door hiërarchie en die werkt door tot in het echtelijke bed – in dit verband niet onbelangrijk. Piper en Grudem spreken over een ‘unieke masculiene kwaliteit van leiderschap in seksuele relaties’, die gekenmerkt wordt door een ‘mengeling van tederheid en kracht’. Daarom mag een vrouw niet zelf het initiatief nemen tot seksuele intimiteit; wel mag ze haar man uitnodigen de leiding te nemen ‘op een manier zoals alleen een man dat kan doen’.

de binnenkant
Meldpunten, codes en organisatorische aanpassingen zijn nodig om seksueel grensoverschrijdend gedrag tegen te gaan.
Maar deze benaderingen komen niet verder dan de buitenkant. Church too gaat uiteindelijk over de binnenkant: mannen die de vloek in hun eigen leven herkennen, die beseffen dat ze vrouwen willen overheersen, die zich realiseren dat ze zusters gemakkelijk als seksueel object zien en die hun vernieuwing verwachten van Christus. Alleen in die weg kan de kerk veranderen en kan zij een veilige plek worden voor meisjes en vrouwen.


12 januari 2018 - Ida Slump-Schoonhoven - Nederlands Dagblad

Ook vrouwen moeten veranderen

Maarten Verkerk, bijzonder hoogleraar Christelijke Filosofie, bepleit de innerlijke vernieuwing van mannen. Zeker, maar ik geloof niet dat dit voor vrouwen minder geldt. Verkerk is blijkens zijn artikel in het ND van 6 januari bezorgd over seksueel geweld en seksuele intimidatie in de kerken. Met een beroep op de sociologen Dobbin en Kalev stelt hij ‘dat dit gedrag floreert overal waar mannen leidinggeven, vrouwen weinig macht hebben en weinig vrouwen actief zijn in de kerntaken van de organisatie. Kennelijk ontstaat er dan een cultuur waarin het kwaad gemakkelijk de ruimte krijgt.’ Deze gedachte sluit aan bij Verkerks visie op man-zijn en vrouw-zijn, waarover hij meer dan eens heeft geschreven.

heersen
Hoewel Maarten Verkerk erkent dat het kwaad leeft in het hart van ieder mens, stelt hij dat in het verlangen van de vrouw naar de man nog iets van de scheppingsharmonie is overgebleven. Maar de reactie van de man laat de gebrokenheid zien: mannen onderdrukken vrouwen met macht en geweld. Het heersen zit bij de mannen in de genen. Het beroep op Dobbin en Kalev, waarmee hij de feitelijkheid van zijn stelling over seksueel geweld wil aantonen, is echter onterecht. De sociologen verwijzen weliswaar naar enkele onderzoeken, maar die richten zich helemaal niet op de (machts)verhouding van mannen en vrouwen in organisaties. Het eerste onderzoek is een overkoepelende analyse van meerdere onderzoeken die anderen hebben gedaan. De conclusie ervan is dat seksuele intimidatie relatief veel voorkomt in organisaties met grote machtsverschillen tussen de verschillende lagen. Dat gaat niet over de machtsverschillen tussen mannen en vrouwen. Een tweede onderzoek laat zien dat horecapersoneel seksueel overschrijdend gedrag (wederzijds) normaal vindt, maar het als intimidatie ervaart als er geweld wordt gebruikt, als de andere betrokkene de chef of een klant is of iemand van een andere etniciteit of seksuele geaardheid. De impliciete suggestie van Verkerk dat in de kerk gemakkelijk seksuele intimidatie kan ontstaan doordat mannen daar de leiding hebben, wordt door deze onderzoeken niet gesteund.

Romeinse opvatting
De tweede zorg van Verkerk is de herleving van wat hij noemt de Romeinse opvatting van het hoofd-zijn: mannen hebben absolute macht over hun vrouwen en vrouwen moeten zich opofferen voor hun man. Deze herleving zou blijken uit de belangstelling voor de theologen Piper en Grudem. Dit raakt kant noch wal. Als Piper en Grudem het hebben over mannelijkheid heeft dat niets te maken met absolute macht. Integendeel. Piper geeft in zijn boek What’s the difference, de volgende omschrijving: ‘De kern van volwassen mannelijkheid is het bewuste besef van een hulpvaardige verantwoordelijkheid om vrouwen te leiden, voor hen te zorgen en hen te beschermen, op een manier die past bij de relaties waarin man en vrouw zich bevinden.’ Verder zegt hij: ‘Volwassen mannelijkheid in seksuele relaties is geen reductie tot grove begeerte. De man is voortdurend alert op de diepere persoonlijke behoeften van de vrouw en verbindt kracht en tederheid om haar vreugde compleet te maken.’

seksuele reinheid
Piper en Grudem ondertekenden de ‘Nashville Statement’, een verklaring die oproept tot seksuele reinheid en tot huwelijkstrouw. Dit vormt een krachtig pleidooi tegen alle vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, dus zeker tegen seksuele intimidatie en geweld.Verkerk schrijft dat het moet gaan over de binnenkant, over de innerlijke vernieuwing van mannen. Zeker, maar ik geloof niet dat dit voor vrouwen minder geldt. Heeft de kerk hier te weinig aandacht voor? We worden allemaal, mannen en vrouwen, opgeroepen tot vernieuwing van ons leven als we luisteren naar de wet van onze God. De kerk heeft bovendien een prachtig hulpmiddel om dit te doordenken en door te geven aan volgende generaties: de Heidelbergse Catechismus. Zondag 44, antwoord 115, zegt dat God wil dat wij onze zondige aard steeds meer leren kennen, en dat we Hem dan mogen bidden om de genade van de Heilige Geest, om naar het beeld van God vernieuwd te worden. Maar misschien is dit leerboek van de kerk, samen met de wet, wel te veel in het vergeetboek geraakt.


7 februari 2018 - Maarten Verkerk

In het Nederlands Dagblad (6 jan. 2018) heb ik seksueel grensoverschrijdende gedrag (#ChurchToo) in de kerk aan de orde gesteld. Ik heb de vraag gesteld hoe het komt dat we in de kerk zo weinig spreken over de vloek van Genesis 3:16 dat mannen over vrouwen heersen. Soms met macht en geweld. Ook heb ik gewezen op het feit dat seksueel grensoverschrijdend gedrag bevorderd wordt door een hiërarchische visie op de relatie tussen mannen en vrouwen. O.a. heb ik me gebaseerd op een artikel van Dobbin en Kalev. Ook heb ik mijn zorgen uitgesproken over de opvattingen van Piper en Grudem over hiërarchie en seksualiteit. Ida Slump (ND, 12 jan. 2018) plaatst kritische kanttekeningen bij mijn artikel:

  1. Ze stelt dat mijn beroep op Dobbin en Kalev onterecht is. Weliswaar stellen deze auteurs wel dat seksueel grensoverschrijdend gedrag bevorderd wordt door hiërarchische relaties tussen mannen en vrouwen, maar deze stelling wordt niet onderbouwd door de literatuur waarnaar zij verwijzen. Die literatuur spreekt alleen over hiërarchische relaties tussen managementniveaus.
  2. Ze is van mening dat ik ten onrechte mijn zorgen heb uitgesproken over de opvattingen van Piper en Grudem m.b.t. hun hiërarchische visie op de man-vrouwverhouding. Zij laat zien dat Piper en Grudem pleiten voor huwelijkstrouw en alle seksuele onreinheid afwijzen en daarmee stelling nemen tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag.
  3. Ten slotte stelt ze dat niet alleen mannen vernieuwd moeten worden maar ook vrouwen.

Ik dank Ida voor haar reactie, maar inhoudelijk ben ik minder gelukkig mee.

Ik begin met het beroep op Dobbin en Kalev. Hun artikel over de relatie tussen seksueel grensoverschrijdend gedrag en hiërarchische relaties tussen mannen en vrouwen in organisaties verscheen in Harvard Business Review, een toonaangevend tijdschrift. Ik had de literatuurreferenties in dit artikel niet gecheckt. Slump heeft gelijk: die gaan alleen over hiërarchische verschillen tussen managementniveaus en niet specifiek over hiërarchische relaties tussen mannen en vrouwen. Maakt dat veel verschil? Ik denk het niet: de meeste managementposities worden nog steeds ingenomen door mannen. Daar komt bij dat de stelling van Dobbin en Kalev ondersteund wordt uitgebreidere studies over gender (zie het boek The social psychology of gender van Rudman en Glick) en door onderzoek naar seksueel grensoverschrijdend gedrag in pastorale relaties (zie het proefschrift van Christiane van den Berg-Seiffert (2015)).

Ik kom vervolgens op de inhoudelijke argumenten. Slump is er niet van overtuigt dat machtsverschillen tussen mannen en vrouwen in de kerk een belangrijke rol spelen. Zij benadrukt de morele norm dat je geen overspel mag plegen. Ik onderstreep het belang van deze norm. Ik ben ervan overtuigd dat Piper en Grudem deze norm van harte onderschrijven. So far, so good. Maar in het kader van seksueel grensoverschrijdend gedrag is het onvoldoende om naar deze norm te verwijzen. Het is juist een van de belangrijkste wetenschappelijke inzichten van de laatste vijfentwintig jaar dat machts- of gezagsongelijkheid in pastorale relaties de belangrijkste factor is om misbruik in de kerk te begrijpen; zie bijvoorbeeld het proefschrift van Christiane van den Berg-Seiffert (2015). Daarom moeten machts- of gezagsverschillen in de kerk aan de orde worden gesteld en zichtbaar worden gemaakt. Dit geldt in het bijzonder voor kerken die een hiërarchische visie op de man-vrouwrelatie voorstaan; dus ook voor de visie van Piper en Grudem.

Slump benadrukt dat niet alleen mannen maar ook vrouwen ook moeten vernieuwen. In algemene termen ben ik het met haar eens. Dit is helemaal in lijn met mijn verwijzing naar Efeze 5. Prachtig om dan naar Zondag 44 van de HC te verwijzen. Maar in het kader van #ChurchToo vind ik deze opmerking volstrekt ongepast. Slump lijkt niet te beseffen dat een verwijzing naar het feit da vrouwen ook vernieuwing nodig hebben, tegenover individuele slachtoffers vaak gebruikt is als middel om de zaak te bagatelliseren of, nog erger, om de schuld bij het slachtoffer te leggen. Ook ziet Slump over het hoofd dat het overgrote deel van de daders man is en geen vrouw. En zelfs als vrouwen ‘aanleiding geven’ – bewust of onbewust – dan is het de verantwoordelijkheid van de mannelijke pastor om de grenzen van de relatie te bewaken.

Ten slotte, Slump verdedigt de opvattingen van Piper en Grudem over de man-vrouwrelatie en over seksualiteit. Dat is haar goed recht. In het kader van mijn artikel over #ChurchToo en vanuit het perspectief van de slachtoffers vind ik haar verdediging van deze opvatting onterecht en uiteindelijk schokkend. In dit kader is het ook ongepast om op de vernieuwing van vrouwen te wijzen. Immers, de meeste daders zijn man en de meeste slachtoffers zijn vrouw. In mijn visie peilt Slump de aard van seksueel grensoverschrijdend gedrag onvoldoende en doet ze geen recht aan de positie van de slachtoffers. Helaas bevestigt haar bijdrage mijn stelling dat de kerk nog steeds geen veilige plek voor vrouwen is.


Ida Slump-Schoonhoven

In het ND van 12 januari heb ik gereageerd op een artikel van Maarten Verkerk (# ChurchToo, ND 6 januari). In een artikel op de site van de Werkgroep Man Vrouw & Kerk https://manvrouwkerk.wordpress.com reageert Verkerk op zijn beurt. Hij schrijft dat hij inhoudelijk niet zo gelukkig is met mijn reactie. Dat verbaast mij niet. Wat mij wel verbaast is de inhoud van zijn commentaar. Hij meent dat ik de ernst van seksueel geweld in de kerk onvoldoende peil en dat ik geen recht doe aan de slachtoffers. Daaruit blijkt dat hij de strekking van mijn artikel niet begrepen heeft. Vandaar dat ik die wil verhelderen. Bovendien wil ik graag reageren op het nieuwe materiaal dat hij aandraagt in zijn reactie. Ik hoop dat onze discussie mag bijdragen aan een goede en zorgvuldige omgang met situaties van seksueel overschrijdend gedrag in de kerk.

Kader van #ChurchToo discussie
De bedoeling van mijn artikel was niet om seksueel geweld in de kerk aan de orde te stellen, maar om kanttekeningen te plaatsen bij het kader waarbinnen Verkerk dat doet. Dat kader bestaat uit twee veronderstellingen.

  1. Er is één specifieke ongelijkheid tussen man en vrouw: in de vrouw is iets van de scheppingsharmonie overgebleven, bij de man daarentegen zit het heersen en onderdrukken in de genen. Dat betekent in de praktijk dat een structuur waarin vooral mannen de leiding hebben seksueel overschrijdend gedrag bevordert.
  2. Ook een visie die uitgaat van een hiërarchische relatie van man en vrouw bevordert seksueel overschrijdend gedrag.

Ik wil nogmaals laten zien dat Verkerk geen goede gronden heeft om deze beweringen te onderbouwen. Ook wil ik laten zien dat zijn benadering onvoldoende recht doet aan de ernst en complexiteit van seksueel overschrijdend gedrag.

1. 'Hoe kon dit gebeuren?'
Verkerk meende dat hij in een artikel van Dobbin en Kalev deugdelijk bewijs gevonden had voor hun stelling dat “seksueel grensoverschrijdend gedrag floreert overal waar mannen leidinggeven, vrouwen weinig macht hebben en weinig vrouwen actief zijn in de kerntaken van de organisatie.” Ik waardeer dat hij na lezing van mijn artikel ruiterlijk erkent dat ze dat bewijs niet leveren. Maar er is hem blijkbaar veel aan gelegen om aan te tonen dat seksueel overschrijdend gedrag te verklaren valt vanuit machtsverschillen tussen mannen en vrouwen binnen een organisatie, in het geval van #ChurchToo dus vanuit machtsverschillen binnen de kerk. Eigenlijk stelt hij nu dat het enkele feit dat de meeste managementposities worden ingenomen door mannen voldoende bewijs is voor zijn stelling.

Als hij nog even kijkt naar de twee door Dobbin en Kalev aangedragen onderzoeken die ik besproken heb, zal hij toegeven dat deze redenering te gemakkelijk is. De conclusie van het eerste onderzoek is dat seksuele intimidatie relatief veel voorkomt in organisaties met grote machtsverschillen tussen de verschillende geledingen. Als Verkerk gelijk heeft, dan moeten in dergelijke organisaties meer mannen en minder vrouwen leiding geven dan in organisaties waar de machtsverschillen tussen de niveaus kleiner zijn. Dat moet dan nog wel bewezen worden. En dat zou wel belangrijk zijn, want het valt moeilijk vol te houden dat de kerk onder de eerste categorie valt. Het tweede onderzoek is gehouden in een aantal horecagelegenheden waar geen sprake was van machtsongelijkheid tussen mannen en vrouwen en constateert dat seksueel overschrijdend gedrag daar wederzijds veel voorkomt. Hier gaat de stelling dus helemaal niet op.

Maar Verkerk heeft meer ijzers in het vuur: al hebben Dobbin en Kalev zelf geen bewijs geleverd,hij noemt nu twee andere studies die zijn stelling wel zouden ondersteunen. Jammer genoeg geeft hij niet de vindplaatsen die zijn bewering staven. De eerste studie is het boek van Rudman en Glick, The social Psychology of Gender waarin de door Glick ontwikkelde Ambivalent Sexism Theory wordt uitgelegd en geïllustreerd. Daarin vind ik geen gegevens over een rechtstreeks verband tussen seksueel overschrijdend gedrag en het leidinggeven van mannen dan wel vrouwen.

De tweede studie is het proefschrift van Christiane van den Berg-Seiffert, Ik sta er buiten – maar ik sta wel te kijken. Zij heeft onderzoek gedaan naar de relationele dynamiek in geloofsgemeenschappen na seksuele grensoverschrijding in een pastorale relatie. Het perspectief van de slachtoffers staat hierbij voorop. Ze was dus niet op zoek naar een verklaring voor seksueel overschrijdend gedrag. Wel is ze nagegaan welke antwoorden in de wetenschappelijke literatuur gegeven worden op de vraag 'hoe kon het gebeuren?' Ze constateert dan dat er verschillende meningen (!) zijn (p. 92v). Vaak zoekt men het in een combinatie van factoren op meerdere niveaus, namelijk die van de samenleving, de geloofsgemeenschap, de pastor en het slachtoffer. Anders dan Verkerk denkt, blijkt noch uit de wetenschappelijke literatuur, noch uit het boek van Van den Berg iets van een gedeeld wetenschappelijk inzicht dat machts- of gezagsongelijkheid in pastorale relaties de belangrijkste factor is om misbruik in de kerk te verklaren.

2. Hiërarchische visie
Verkerk beweert dat ik de aard van seksueel overschrijdend gedrag onvoldoende peil en dat ik geen recht doe aan de positie van de slachtoffers. Dat baseert hij op het feit dat ik Piper en Grudem verdedig en dat ik op de noodzaak van vernieuwing voor vrouwen wijs. Hij vindt het schokkend en ongepast dat ik dat doe in het kader van #ChurchToo.
Verkerk lijkt te vergeten dat mijn artikel een reactie is op het zijne, waarin hij suggereert dat de opvattingen van Piper en Grudem over de relatie man/vrouw lijken op de Romeinse opvatting van het hoofd-zijn: het hoofd heeft absolute macht, het lichaam moet zich daarvoor opofferen. Deze suggestie zal Verkerk op geen enkele manier waar kunnen maken. Bovendien zegt hij – in het kader van ChurchToo!– dat hij ongerust is over de toenemende belangstelling voor deze opvatting. Daarmee stelt hij Piper en Grudem niet alleen in een verkeerd, maar ook in een kwaad daglicht. En dát vind ík ongepast. Eerlijk gezegd begrijp ik ook niet waarom Verkerk het nodig vindt om een zo vertekend beeld van de visie van Piper en Grudem te geven.
Verder schrijft Verkerk met verwijzing naar Gen. 3:16 dat mannen zich niet willen opofferen, maar willen heersen. Hij vindt daarom dat juist mannen vernieuwing nodig hebben. Dáártegenover heb ik gesteld dat die noodzaak niet minder geldt voor vrouwen. (De kop van het artikel komt voor rekening van de redactie van het ND.) Ik geloof namelijk niet dat vrouwen in het algemeen minder zondig of schuldig zijn dan mannen of dat ze minder op macht uit zijn. Daarmee heb ik niets gezegd over de realiteit of de schadelijkheid van concreet misbruik, of over de rol van concrete slachtoffers, laat staan dat ik de ernst daarvan zou willen relativeren. “Slump is er niet van overtuigd dat machtsverschillen tussen mannen en vrouwen in de kerk een belangrijke rol spelen”, schrijft Verkerk. Het zal duidelijk zijn dat ik niet overtuigd ben dat seksueel overschrijdend gedrag verklaard kan worden vanuit de machtsverschillen waar hij op doelt, namelijk die van een kerkelijke structuur waarin vrouwen geen ambtelijke taak hebben. Niet alleen ontbreekt wetenschappelijk bewijs daarvoor, ook de praktijk wijst in een andere richting. Het zijn niet alleen ambtsdragers, maar ook 'gewone' gemeenteleden die zich schuldig maken aan dit vergrijp. Verkerk noemt ze zelf. Bovendien zijn de slachtoffers van seksuele grensoverschrijding meer dan eens prominente en centrale leden van de geloofsgemeenschap (v.d. Berg, p. 266) ).

Ik beweer echter niet dat macht of de hang naar macht geen rol speelt bij de plegers van misbruik, integendeel. Maar ieder hanteert eigen middelen. Ambtsdragers (maar ook echtgenoten of vaders) zetten vaak de gezagspositie die ze van God gekregen hebben in als machtsmiddel, maar dat maakt het des te erger. Verkerk meent dat de visie van Piper en Grudem, die uitgaat van een 'hiërarchische relatie' tussen man en vrouw, dit gedrag bevordert. Hij zou gelijk hebben als hun opvatting beantwoordde aan het vertekende beeld dat hij gaf. Ik meen echter dat hun visie heilzaam is, juist in de strijd tégen dit machtsmisbruik. Inderdaad stellen zij dat mannen en vrouwen verschillende posities hebben. Maar dat betekent niet dat de man absolute macht heeft. Het betekent wel dat hij een eigen verantwoordelijkheid heeft en dat hij moet beseffen dat hij zelf onder het gezag van Christus staat (1 Kor. 11). Piper en Grudem spreken mannen aan op die verantwoordelijkheid. Ik geef graag nogmaals hun mooie omschrijving van volwassen mannelijkheid: “het bewuste besef van een hulpvaardige (benevolent) verantwoordelijkheid om vrouwen te leiden, voor hen te zorgen en hen te beschermen, op een manier die past bij de relaties waar man en vrouw zich in bevinden”. Als de man zich buigt onder het goede gezag van Christus laat hij het wel uit zijn hoofd om vrouwen te misbruiken.

Macht en seksualiteit
De reactie van Verkerk vormt voor mij een uitnodiging om nu toch iets meer te zeggen over seksueel overschrijdend gedrag in de kerk. Verkerk heeft gelijk als hij signaleert dat het thema 'macht' een grote rol speelt in de wetenschappelijke literatuur van de laatste decennia. Van den Berg-Seiffert wijst hier ook op. Daarbij gaat het echter niet om het vinden van een oorzaak, maar om een nieuwe manier van kijken naar seksuele relaties tussen pastores en gemeenteleden, een nieuw discours (van den Berg, p. 88). Tot aan de jaren negentig was er sprake van een 'romantisch discours': dergelijke relaties werden beschouwd als een seksueel probleem, een vorm van overspel. Sindsdien is er een 'machtsdiscours' ontstaan: men ging zich realiseren dat de pastorale relatie (net als een therapeutische) gekenmerkt wordt door machtsverschil vanwege de professionaliteit van de pastor. Binnen een dergelijke relatie is seksueel contact per definitie uitbuitend en misbruikend. Ook van den Berg-Seifert benadrukt dat de pastor vanwege zijn professionele macht verantwoordelijk is voor het waarborgen van de veiligheid van de relatie. Onafhankelijk van de wijze waarop een gemeentelid eventueel bijdraagt aan het seksualiseren van het contact, is de pastor degene die de verantwoordelijkheid draagt voor het bewaren van veilige grenzen.

Daar ben ik het van harte mee eens. Maar daar is niet alles mee gezegd. Een ambtsdrager is niet alleen verantwoordelijk vanwege zijn professionaliteit, maar juist ook vanwege het feit dat hij alsambtsdrager namens God optreedt. Dat is een belangrijke factor als het gaat om het peilen van de ernst van het misbruik, een factor die door Verkerk niet genoemd wordt. Dr. A.Veerman, auteur van het proefschrift Ontredderd. Het proces in de kerkenraad als de predikant seksueel misbruik heeft gepleegd, merkt in een interview in het RD van 22-12-2005 op: ‘Steeds opnieuw blijkt dat de gevolgen van seksueel misbruik door een predikant, door een voorganger, nog intenser zijn dan die van misbruik door een gemeentelid. Predikanten worden, zeker in de reformatorische kerken, gezien als geroepen dienstknechten van God. Als zij zich te buiten gaan, brengt dat enorm veel verwarring teweeg. Bij het slachtoffer zelf, maar als het bekend wordt ook bij de kerkenraad, bij de gemeente.’
En dan is er nog iets. De focus in het denken over seksueel overschrijdend gedrag is verschoven van de seksualiteit naar machtsmisbruik. Daarmee dreigt de aandacht voor het eerste volledig te verdwijnen. Maar mijns inziens moet er ook oog zijn voor de aard van het machtsmisbruik.
Seksualiteit is iets waarbij de hele persoon van de mens betrokken is. Bij seksueel misbruik creëert de pleger situaties van intimiteit waarmee hij de de reactie van de ander oproept. Daardoor ontstaat er een vorm van wederkerigheid waarin de ander slachtoffer is, maar zich tegelijk ook vaak verantwoordelijk weet. Veel slachtoffers willen niet gezien worden als alleen maar slachtoffer. Ze hebben er behoefte aan dat niet alleen kwetsbaarheid en machtsverschil ter sprake komen, maar ook de relationele kant van de seksuele relatie, evenals het aspect van de verantwoordelijkheid. Van den Berg-Seiffert heeft dat tijdens haar onderzoek gemerkt (p.91).

Tenslotte
Hoe kijken we tegen seksueel overschrijdend gedrag aan? Dat is de vraag waar het om gaat, want onze manier van kijken is bepalend voor onze manier van omgaan met de problematiek. Een openbenadering als die van Van den Berg-Seiffert biedt ruimte om aandacht te hebben voor een veelheid aan aspecten. De benadering van Verkerk, die niet meer doet dan het (ten onrechte) benadrukken van machtsverschillen als oorzaak van het gebeurde, kan het zicht op alle andere aspecten dan dat van de macht juist belemmeren.
Seksueel overschrijdend gedrag is er in vele vormen. Altijd wordt tekortgedaan aan de bedoeling die God heeft met seksualiteit. Bij seksueel geweld wordt bovendien dwang of druk uitgeoefend om de ander te overweldigen of mee te slepen in dit gedrag. Daarom moet er bij de dader erkenning zijn van schuld en van het leed dat de ander is aangedaan. Als de dader een ambtsdrager is moet hij beseffen hoezeer hij voor zijn slachtoffer het leven met en voor God in de weg gestaan heeft. Voor het slachtoffer moet er recht, troost en ontferming zijn. Maar ook moet er, vanwege wat er gebeurt in seksueel misbruik, ruimte zijn voor mogelijke gevoelens van schuld en schaamte bij datzelfde slachtoffer. Alleen dan is er ruimte voor genade, vergeving en vernieuwing in Christus. Ik hoop dat Verkerk en ik die verwachting delen.
 


« Het gezag van Gods Woord en de synodebesluiten over m/v en ambt - Nederlands besluit gewogen en te licht bevonden »