Bezinning Man, Vrouw en Ambt
Studie naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van de synode-besluiten Meppel 2017
home nieuws start hier
werkgroepen
bronnen agenda over ons contact
Henk Room

Henk Room

zaterdag 3 november 2018
Eén jaar beleid M/V en ambt (2)

(vervolg op Eén jaar beleid M/V en ambt)

Wat hebben de besluiten van de synode ons gebracht? Die vraag beantwoordde ik in Nader Bekeken van september. Mijn conclusie was: ze werken ontbinding in de hand. Er is verwarring en vervreemding gekomen. Wat ons als kerken en gelovigen bindt, is gehoorzaamheid aan Christus en aan Gods Woord. Juist hierover is onzekerheid gekomen. Hoe moeten we nu verder? Een paar gedachten hierover.

    3. Hoe nu verder?

    In een tijdschrift voor theologen schreef prof. dr. H.G.L. Peels: ‘Momenteel staan de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt onder spanning. Het ging ook wel erg snel, dit voorjaar: openstelling van in een keer alle ambten voor de vrouw, en bovendien maar gelijk ook over de hele linie ruimte hiervoor in de kerkelijke praktijk. Uiteraard wekt dit bevreemding, waar juist deze kerken voorheen tamelijk grote woorden spraken in de richting van flankerende kerken toen het over vrouw-en-ambt ging. Voor een hele groep kerkleden vormden deze besluiten de druppel die de emmer deed overlopen. De pijn van mensen die het allemaal niet meer mee kunnen maken, kun je je goed indenken. Maar je bidt dat deze kerken behoed worden voor verdere afsplitsingen, en bewaard blijven bij de gezonde leer. Laten we dan zeker de taal van grote woorden mijden.’1

    Hij gaat verder: ‘Het Pauschalurteil (vonnis – HJR) van al dan niet gereformeerd zijn wordt soms snel geveld. Onmiskenbaar gaat het aanwijzen van verschillen ons veel gemakkelijker af dan het delen van de vele overeenkomsten en het beleven van dankbare vreugde daarover. Dat deze ontwikkeling binnen de GKV nadelig kan doorwerken in de planvorming rondom de GTU, wordt door een ieder beseft.’

    Willen we nog gesprek?

    Behoed worden voor verdere afsplitsingen en bewaard worden bij de gezonde leer vraagt om verder gesprek. En niet om elkaar heen lopen en intussen de zaak doorzetten, zoals nu dreigt. Ligt hier een gezamenlijke nood die we samen onder ogen kunnen zien en waarbij we in gebed de leiding van Gods Geest mogen verwachten? ‘Grote woorden mijden’ veronderstelt verder dat je bereid bent ook zelf in de spiegel te kijken.

    Hebben we te veel een houding gehad van: M/V en ambt, daarover hoeven we het toch niet te hebben? Dat is toch duidelijk genoeg als je de ‘zwijgteksten’ leest? Hebben we bij dit onderwerp een taboe laten ontstaan? En doen we dat nu opnieuw, maar dan andersom? Zo van: je bent toch wel erg bekrompen als je hier nog een punt van maakt?

    En hoe hebben we vormgegeven aan ons eigen leven? Hebben we in onze huwelijken en gemeenten te weinig geleefd vanuit het mooie reliëf dat God vanaf het begin beoogde in de verhouding man-vrouw? Zijn we daar wat stilzwijgend aan voorbijgegaan of onbewust in meegegaan, terwijl onze samenleving in snel tempo veranderde? Zodat onze kinderen zich nu verbaasd afvragen waar wij het in vredesnaam nog over hebben? Hebben we meegeholpen een sfeer te laten ontstaan waarin de broeders ter synode dachten: Nú moet er een knoop worden doorgehakt? Je moet maar accepteren dat we de Bijbel inmiddels op dit punt anders lezen?

    Ligt hier niet een gezamenlijke nood? Kunnen we die onder leiding van de Heilige Geest samen onder ogen zien? Willen we het gesprek daarover nog om samen één te blijven? Of is onze reactie: Nee hè, niet weer M/V en ambt?

    Laag eronder

    Onder dit gesprek zit wel een laag vol emoties. Laten we die niet over het hoofd zien. Aan de ene kant hoor ik grote vreugde, omdat nu eindelijk eens een eind is gemaakt aan eeuwenlange achterstelling van vrouwen in onze kerken. Er is een eind gekomen aan hun rechteloze positie. Eindelijk leven we nu op het niveau waarop God ons wil hebben.

    Aan de andere kant merk ik boosheid en verontwaardiging. Hoe kan het dat we nog maar tien jaar geleden grote woorden spraken tegen de NGK om hun standpunt over M/V en ambt? We hadden zeer principiële bezwaren tegen hun hermeneutiek: de twee lijnen in de Bijbel mag je niet in spanning tegenover elkaar zetten. Terwijl we dat in wezen nu zelf ook doen. Zonder nadere verantwoording.

    Hoe kan het dat we na zo veel jaren nadenken tot niet méér in staat zijn dan de povere en aanvechtbare gronden onder de huidige besluiten? Wat zijn de wijsheid en de zin van de onmiddellijke invoering van de besluiten? Moeten de besluiten via de praktijk worden doorgedrukt? Waarvoor was het nodig zo ruimte voor rustige bezinning en toetsing weg te nemen? Het levert het gevoel op van gemanipuleerd en misleid te zijn. Wat doet dit met ons kerkverband? En hoe zit het met onze (gewezen) zusterkerken in het buitenland? Hadden we stiekem het idee dat zij wel van ons, maar wij toch eigenlijk niet van hen kunnen leren? Of is deze oecumene eigenlijk toch niet zo nodig en niet zo veel waard als we altijd hebben beweerd?

    Hier ligt een heel veld van emoties van vreugde tot frustratie, boosheid, verontwaardiging en zelfs verbijstering. En van onbeantwoorde vragen. Wanneer deze er in het gesprek met elkaar niet mogen zijn, zal dat een echt gesprek onmogelijk maken. We kunnen het niet maken om te zeggen: De Here wil het nu zo. En dan de mond afvegen en verdergaan alsof er niks gebeurd is. Gaan we aan deze emoties voorbij, dan krijg je hakketak-gesprekken. Echt luisteren is er niet meer bij. Als waar is wat ik laatst in het ND las, dan zijn we des te meer gewaarschuwd. Iemand had uitgezocht wat we allemaal wel aanvoelen: niet alleen theologische geschillen, maar ook menselijke (negatieve) emoties ten opzichte van elkaar dragen wezenlijk bij aan onderlinge vervreemding en kerkscheuring. Deze laag in het gesprek kunnen we daarom niet negeren. Maar de eerste vraag blijft: Willen we dat gesprek nog wel of laten we elkaar los?

    Afgebroken gesprek

    Wat is er nodig voor een eerlijk gesprek dat geestelijk en opbouwend is onderling, in de kerken en in de classes? Dan moeten we terug naar het punt waar sinds de synode van Ede (2014) de bezinning van jaren zich op toespitste. De opdracht waarmee deputaten voor de synode van Meppel (2017) aan het werk werden gezet: Hoe kan de ambtelijke structuur zo worden ingevuld dat vrouwen zich daarbinnen kunnen inzetten, met inachtneming van beide lijnen uit de Bijbel? De ene lijn is die van gelijkwaardigheid van man en vrouw. De andere is die van verschil ten opzichte van elkaar in positie of verantwoordelijkheid. Onze ambtsstructuur van nu rust immers voor een deel ook op keuzes die een paar honderd jaar geleden zijn gemaakt. Wat hoort in de huidige ambtsstructuur bij die historische en culturele setting? Wat kunnen we daarvan loslaten? Wat moeten we behouden, omdat het uit de Schrift af te leiden is?

    Maar in de besluiten ontbreekt het thema van de ambtsstructuur helemaal. Daarmee hebben de besluiten alles van een afgebroken gesprek en een niet echt opengebloeide bezinning. Maar wel van knopen doorhakken en elkaar voor het blok zetten in de kerkelijke praktijk. De synode gaat daarmee voorbij aan de gegeven opdracht van Ede én aan wat is overeengekomen in onze Kerkorde (F71.1). Met als suggestie: dit is het eindpunt van een lang traject. Punt. Uit.

    Wanneer we dit zo elkaar in de maag splitsen, zijn de gevolgen niet te overzien, en duwen we elkaar naar de grenzen van ons kerkelijk bestaansrecht. Voor een geestelijk en opbouwend gesprek is daarom voortgaande bezinning hard nodig. Wat is in de ambtsstructuur bepaald door tijd en cultuur van de Reformatietijd en wat komt op uit de Schrift? Hoe doen we recht aan de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw én de ongelijkheid in positie en verantwoordelijkheid? Ik roep de komende synode op te voldoen aan wat de synode van Ede als noodzaak zag. We hebben besluiten nodig die hier goed beargumenteerd op ingaan en duidelijk richting wijzen. Voor een eerlijk, geestelijk en opbouwend gesprek kunnen we hier niet omheen. De vraag is alleen: willen we nog wel zo’n gesprek of laten we elkaar op dit punt liever los?

    Dit klemt ook op een andere manier. Intussen heeft de synode van Meppel de vraag die zij zelf had moeten beantwoorden, teruggeschoven naar de kerken. In Besluit 8 zegt de synode de kerken op te roepen zich nader te bezinnen op de vraag hoe recht kan worden gedaan aan de verschillen tussen man en vrouw in de vervulling van taken en ambten in de gemeente. Hoe merkwaardig ook, dit besluit biedt tegelijk een kans. Samen hierop studeren kan helpen om weer in gesprek te komen. Als we tenminste wat God zegt over man en vrouw in het huwelijk niet losmaken van wat Hij zegt over man en vrouw in de kerk. Wat kunnen we uit Gods Woord afleiden over hoe God de relatie tussen beiden heeft gewild? Is er reden aan te nemen dat Hij die relatie nú anders wil?

    Goede vraagstelling?

    Wat is er verder nodig voor zo’n gesprek onderling, in de kerken en op de classes? Het is belangrijk om nog eens naar de vraagstelling te kijken. Zijn de besluiten mogelijk het antwoord op de verkeerde of op een te beperkte vraag? Of zijn ze een te beperkt antwoord op een reële vraag? Hoe kan de ambtelijke structuur zo worden ingevuld dat vrouwen zich daarbinnen kunnen inzetten, met inachtneming van beide lijnen uit de Bijbel? Het antwoord van de deputaten ter synode: We weten niet hoe je dat vorm moet geven binnen de huidige ambtsstructuur (zie Acta GS, art. 16). Wat deputaten in hun rapport hebben gedaan, is nadruk leggen op één lijn terwijl men de andere achter de horizon liet verdwijnen.

    Dit was nadrukkelijk niet de bedoeling. Komt dat door de vraag? Klopt die wel? Is het wel zo dat vrouwelijke inzet past in onze huidige structuur van het werk van oudsten en predikanten? Moet er dan iets veranderen aan die structuur? Of kunnen we ook buiten deze structuur mogelijkheden vinden?

    Hoe kun je zo goed mogelijk gebruikmaken van de gaven van zusters in de gemeente? Die gaven zijn onmisbaar en worden overigens al eeuwen volop ingezet. Wat zou de kerk zijn geweest zonder vrouwelijke gemeenteleden? Zonder hun liefde, wijsheid en inzet op tal van manieren? Maar kunnen die gaven nog krachtiger worden gebruikt in een officiële functie? Kan het bijvoorbeeld zo zijn dat vrouwelijke inzet vraagt om een eigen ambt? Die vraag is op de synode ingebracht. Ze kreeg echter geen inhoudelijk antwoord, maar werd via een formele benadering afgevoerd.

    Ook de suggesties van de Koreaanse hoogleraar dr. H.M. Yoo werden niet verwerkt. Hij hield een bewogen en inhoudsvolle toespraak tijdens de conferentie met de buitenlandse afgevaardigden (Acta, art 81, p. 154v). Daarin bezwoer hij niet de weg in te slaan zoals later met de besluiten wel is gebeurd. Hij verwees naar diverse voorbeelden uit de kerkelijke praktijk in Korea. Daar worden vrouwen heel breed ingezet ook als het gaat om evangelieverkondiging. Maar opzicht en tucht en de geestelijke leiding liggen uiteindelijk in handen van mannelijke oudsten.

    Nog weer een andere optie werd een paar maanden geleden verwoord door ds. C. van Dijk.2 Er zijn vast nog wel meer varianten te bedenken, zoals ook in het deputatenrapport aangegeven werd. Maar de vraag is: willen wij dat gesprek om elkaar te blijven zoeken?

    Hoe lezen we de Schrift?

    Wat is vooral ook nodig voor een eerlijk gesprek dat geestelijk en opbouwend is? En waarbij we in gebed de leiding van Gods Geest mogen verwachten? Dan is de vraag belangrijk waarom er een goede onderbouwing onder de besluiten mist. En ook waarom in de besluiten niet beide lijnen uit de Schrift in rekening zijn gebracht. Rond dit vraagstuk wordt de Schrift ineens verschillend gehanteerd. Dat roept nogal vragen op, vervreemding en verwijdering. Hoe lezen we de Schrift? Dit is een vraag die ook veel verder en dieper reikt dan M/V en ambt alleen. Als we hierover niet goed met elkaar in gesprek raken en tot uitkomsten komen, gaat zich dat wreken op veel meer terreinen.

    Als voorbeeld noem ik hier nog eens het verhaal dat dr. M.H. Oosterhuis hield op de Australische synode. Daar had ik het in het vorige artikel over. Als het gaat om een eerlijk gesprek met elkaar, geestelijk en opbouwend en even losgemaakt van het concrete dossier M/V en ambt, dan kom ik tot enkele dringende vragen. Hoe mag je het argument van de ‘toenmalige context’ gebruiken? Dat je goed kijkt naar tijd en omstandigheden waarin bijbelwoorden zijn gesproken of geschreven, is evident. Maar je kunt er soms ook alle kanten mee op. Hoe voorkom je dat je met dit argument tot een andere of zelfs tot een tegenovergestelde betekenis komt dan de tekst zelf bedoelt? En mag je van een apostolisch voorschrift voor christelijk gedrag een hermeneutische sleutel maken waarmee je een tekst leest? Zonder dat die tekst zelf daar aanleiding toe geeft? Ik doel dan natuurlijk op ‘geen belemmeringen opwerpen tegen het evangelie’. Hoe doe je recht aan alle factoren bij het verstaan van een tekst waarbij je zelf als lezer met alles wat je bij je draagt, helemaal bent inbegrepen? Hoe blijf je tegelijk altijd het volle pond geven aan het ‘tegenover’ van de tekst in al zijn vreemdheid? Die laat zich niet neutraliseren of inkapselen door onze reconstructies van toenmalige en hedendaagse context.3 Kortom, hoe voorkom je dat je als individuele uitlegger of als kerk gaat heersen over Gods Woord? Nogal belangrijke vragen!

    Wat naar mijn overtuiging ook buiten de grenzen van de gereformeerde hermeneutiek ging, was wat deputaten schreven in het eerste deel van hun rapport Samen dienen. In Bouwsteen 1 maakten zij een reconstructie van het bijbelse beeld van de vrouw. Maar op zo’n manier dat daar grote vragen bij te stellen zijn.4 Bijbelse gegevens worden in een zelfbedacht format geplaatst en komen zo in spanning met elkaar. De vraag waarover we goed moeten doorspreken, is: Kan de Schrift op deze manier nog haar eigen uitlegster zijn? En doet een dergelijke benadering niet tekort aan de eenheid van Gods Woord? Dit is toch het ene Woord van de ene levende God? Dit gedeelte van het rapport maakt ook makkelijk speculaties bij anderen los over het zich ontwikkelende werk van de Geest in onze huidige geschiedenis. Hier kunnen we niet zomaar aan voorbijgaan.

    Ligt hier niet een gezamenlijke geestelijke nood? Durven we het aan die samen onder ogen te zien? Zodat we in gebed de leiding van Gods Geest daarbij mogen verwachten? Want hier komt toch een crisis in het verstaan van Gods Woord aan het licht, die tegelijk een identiteitscrisis tevoorschijn roept? Geeft ons belijden (over de Bijbel als Gods Woord) en ons handelen op basis van dit belijden (onze manier van bijbellezen) een kloof te zien?

    Kunnen we elkaar voldoende veiligheid geven in dit gesprek? Zodat het eerlijk, geestelijk en opbouwend werkt? Maar de eerste vraag is dan: Willen we nog zo’n gesprek om elkaar vast te houden en samen verder te komen? Volgens mij zullen we wel moeten. Anders laten we elkaar écht los.

    Praktisch

    Op praktisch vlak is er intussen genoeg te doen om zo’n gesprek mogelijk te maken. Laten kerkenraden (en gemeenten) werk maken van gedegen bezinning. Dat is hun roeping. En van classes ook. Wanneer ze de gronden onvoldoende vinden, laten ze de volgende synode om nadere uitleg of revisie vragen. En vragen of zij het gesprek over de ambten wil heropenen. Laten kerkenraden reële ruimte geven voor een check op de eerstkomende synode door de besluiten nu niet uit te voeren. De manier waarop de besluiten zijn ingevoerd, heeft de noodzaak van gesprek onduidelijk gemaakt. Laten we elkaar zo proberen vast te houden voordat de eerstkomende synode tot een uitspraak komt. Wanneer kerkenraden geen mogelijkheden zien om zelf de besluiten goed te beoordelen, laten ze aan de volgende synode vragen of zij dat voor hen wil doen. Gemeenteleden die zich niet kunnen vinden in de besluiten en de uitvoering daarvan, mogen hun kerkenraden vragen om uitleg en geestelijke leiding. Laten de predikanten ook met elkaar in gesprek gaan. En laten we allemaal het taboe doorbreken dat er zo langzaamaan op rust: ‘Nee hè, niet weer over man/vrouw en ambt! Wen er maar aan dat er van alles veranderen gaat.’

    Waarom doorgaand gesprek?

    Doorgaand gesprek is noodzakelijk allereerst vanwege de onderlinge eenheid in geloof en de roeping elkaar te zoeken. Maar ook omdat we als gemeenten van Christus en als kinderen van de Here het beeld van onze Meester mogen vertonen in onze cultuur. Er is in de samenleving nog weinig besef van God. Eigenlijk is er geen plek voor Hem. Er is veel onhelderheid over je identiteit als man en vrouw. Ook als het gaat om de relatie tussen beiden. Hier kunnen we niet omheen, tenzij we ons willen laten inkapselen.

    Bij de inzet om vrouwen tot hun recht te laten komen met de gaven die God hun gegeven heeft, past tegelijk leven in het reliëf dat God tussen man en vrouw heeft bedacht. Om elkaar zo dienstbaar te zijn met het oog op de eer van Hem. Dat schuurt noodzakelijk met de cultuur van onze tijd. Schrik daar niet van. Het heeft altijd geschuurd. Laat maar zien dat het er niet om gaat dat de ene sekse tegenover de andere haar rechten wil claimen of die rechten wil ontzeggen. Daarmee wordt hopelijk iets merkbaar van het mysterie van eerbied, liefde en dienstbaarheid waarachter men God vermoeden kan.

    Uit Nader Bekeken jrg. 25, nr. 10, oktober 2018 - Kroniek

    Eén jaar beleid M/V en ambt (eerste artikel)


    Noten:

    1. Theologia Reformata, jrg. 60, nr. 4 (dec. 2017), p. 430v. Peels is hoogleraar OT aan de Christelijke Gereformeerde TU in Apeldoorn.
    2. Kees van Dijk, ‘Overal tegen?’, in: Nader Bekeken, jrg. 25, no. 1 (jan. 2018), p. 5-7.
    3. Zo H.G.L. Peels, in: Advies prof. H.G.L. Peels, Apeldoorn, 8-05-2014. Dit advies bracht Peels op verzoek van de synode van Ede (2014) uit, naar aanleiding van het deputatenrapport over man/vrouw en ambt dat indertijd diende.
    4. Zie voor een bespreking bezinningmvea.nl/Hermeneutiek/Een bijbels beeld van vrouwen? Eerder verschenen onder de titel: ‘Een bijbels beeld van vrouwen?’, in: Nader Bekeken, jrg. 24, no. 4 (apr. 2017), p. 122-128.

    « De Geest brengt ons (eindelijk) bij de tijd - Mijn heil hangt er toch niet van af? »