Bezinning Man, Vrouw en Ambt
Studie naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van de synode-besluiten Meppel 2017
home nieuws start hier
werkgroepen
bronnen agenda over ons contact
Frans Pansier

Frans Pansier

vrijdag 4 januari 2019
Kunnen we Niemeijer volgen?

Een studie naar zijn methode

Notitie n.a.v. P. Niemeijer: Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk

Al snel na het besluit van de synode van Meppel 2017 om zusters toe te laten tot alle ambten werd van diverse zijden (o.a. De Bruijne in het Nederlands Dagblad) geconstateerd dat de gronden onder dat besluit op z’n zachtst gezegd nogal mager waren. Kun je op zo’n summiere basis zulke vergaande besluiten nemen?
Als er een poging gedaan wordt om die lacune op te vullen en te bezien of er een betere argumentatie opgezet kan worden is dat zonder meer toe te juichen. Niemeijer heeft zijn boekje geschreven om die onderbouwing te verbeteren. Het gaat hem dan met name (maar niet alleen) om de zgn. zwijgteksten, die door de synode niet meegenomen zijn in de gronden. Dat wekt bevreemding, want ze hebben altijd een cruciale rol gespeeld in de argumentatie waarom zusters geen ambten mochten bekleden. Ze mogen omstreden zijn, maar dat is onvoldoende reden om ze niet in de argumentatie te betrekken. Niemeijer doet dat nadrukkelijk wel. En daarom is het goed om na te gaan of we met zijn argumentatie in kunnen stemmen.

De vraag is dus: kunnen we hem hierin volgen? En: is zijn poging om de lacune te vullen geslaagd? Als we met zijn denkrichting kunnen meegaan, zijn we een stap verder en hebben we  een basis gevonden om met elkaar het synodebesluit te dragen, zelfs als er  over allerlei details nog discussie zou overblijven. (Die discussie is trouwens niet altijd zinvol; ook bij meningsverschil over details, kun je het over de benadering eens zijn).   Maar als we niet in zijn benadering  kunnen meegaan, blijven er fundamentele vragen over.
Ik richt me in deze notitie dan ook meer op onderliggende, veelal methodologische kwesties. En op de vraag of Niemeijers betoog consistent is.
Ik ga puntsgewijs een paar aspecten van het betoog in zijn boek langs.

1. Onzorgvuldigheid

Niemeijer stelt dat er over allerlei details in de “klassieke” exegese vragen te stellen zijn, en dat die exegese ook niet altijd tot in alle details houdbaar was. Dat kan. Maar lag dat altijd aan de exegese, of kan het ook liggen aan de manier waarop de bijbellezer, i.c. Niemeijer zelf, er mee omgegaan is? Op blz. 30, waar het gaat over het al of niet regeren, zegt hij bijvoorbeeld: het gaat fout als Eva in Gen. 3 het voortouw neemt. Maar wordt deze opvatting door de tekst gesteund? Paulus zegt dat zij het eerst verleid werd (1 Tim. 2:14). Dat is toch echt iets anders (afgezien nog van de vraag welke exegeet dat zo gezegd heeft). In hoofdstuk 7 (Tegenargumenten) worden de argumenten voor de “klassieke” opvatting niet altijd even correct weergegeven. Zo gaat Niemeijer er vanuit dat de Joodse opvatting over de vrouw een rol gespeeld heeft in de praktijk van het Nieuwe Testament. Maar is dat  wel zo? Het is zelfs de vraag of die opvatting toen al opgeld deed, want ze blijkt veelal  uit geschriften van later eeuwen. De argumentatie wordt ook niet altijd compleet weergegeven. Op blz. 68 wordt gemeld dat we nu in het Nieuwe Verbond een volk zijn van o.a. priesters, in tegenstelling tot het Oude Testament. Maar uit Ex. 19:6 blijkt dat ook het oude Israël al een volk van priesters was. Hier wordt een te grote, en daarom op dit punt onjuiste tegenstelling gemaakt tussen het Oude en het Nieuwe Testament, met nogal wat consequenties: bij een volk van priesters komen desondanks geen vrouwelijke priesters voor.
Een correcte manier van bestrijding van een uitleg zou zijn: ontdoen van franje, en dan de kern aanpakken. Maar dat gebeurt vaak niet, zodat  de lezer een gevoel kan bekruipen van ‘framing’: de klassieke opvatting wordt in een bepaald aanvechtbaar kader geplaatst. De tegenargumentatie lijkt dan sterk, maar is eigenlijk een argumentatie tegen die niet geheel correcte weergave.  Bij eerste lezing valt dat niet zo op, omdat de schrijfstijl vriendelijk is.  Maar zodra je na gaat denken of de voorstanders van de klassieke opvatting echt op die manier spraken, moet je helaas  concluderen dat Niemeijer zich er te gemakkelijk van af maakt.i En dan rijst de vraag: zou die tegenargumentatie ook standhouden als de klassieke opvatting wel correct weergegeven zou zijn?
Het valt op dat Niemeijer zich nergens bezighoudt met literatuur die de “klassieke” exegese beargumenteert. De lezer moet maar geloven dat wat hij schrijft klopt en voldoende relevant is. Maar op aangelegen punten is er in het verleden zinnig werk geleverd. Waarom confronteert Niemeijer zich niet met bijv. Trimp: Het leerambt niet verspelen, of met Hendriks: Van God gezonden, om maar te zwijgen van Van Bruggen: Ambten in de Apostolische Kerk? En ook specifiek over M/V met bijv. Schreuder: Dienende mannen en vrouwen, of, zelfs meer in zijn lijn: De Boer: Zij aan zij? Als je werkelijk een betoog wilt leveren dat diegenen die aarzelen overtuigt, dan zul je je juist met de sterke argumenten moeten verstaan. De wetenschapsfilosoof Popper wees daar al bijna een eeuw geleden op.

2. Inconsistentie

Niemeijer is nogal eens inconsistent. Dat blijkt op verschillende gebieden.
Op exegetisch vlak. Enerzijds stelt hij dat het nog maar de vraag is of we 1 Tim 2 maar zo door mogen trekken naar nu, want we moeten er sterk rekening mee houden dat Paulus’ vermaan betrekking heeft op een specifieke situatie in Efeze (losbandige vrouwen en zo). Anderzijds kiest hij voor  1 Tim. 2:8 niet de vertaling van de NBV-2004: in alle samenkomsten, maar die van de NBG-1951: op alle plaatsen.  Daar is inderdaad veel voor te zeggen, gezien het Grieks (topoi). Dat haalt echter zijn eigen argument onderuit: als Paulus zegt dat hij dat op alle plaatsen wil hebben, kan het niet meer alleen op de situatie in Efeze slaan, maar dan geeft hij een een universeel voorschrift, een aanwijzing die hij overal gevolgd wil zien.  De vraag is bovendien of Niemeijer het begrip “plaats” hier correct invult. Het moet zoiets gaan betekenen als: bij iedere gelegenheid. Maar dat  is buiten de reikwijdte van het begrip topos (zie het lexicon van LiddelScottJones)ii
Niemeijer merkt terecht op dat je een vergaande keuze maakt als je 1 Tim. 2 rechtstreeks op nu toepast (blz. 17). Maar dat geldt ook als je dat niet doet. Daarvoor moet je aantonen dat de rechtstreekse toepassing ofwel niet relevant is (omdat het bij nader inzien over iets anders gaat), of  om andere dwingende redenen niet mogelijk is. Bijvoorbeeld omdat rechtstreekse toepassing tot niet op te lossen tegenstrijdigheden leidt. Nu moet je met dat laatste oppassen: er zijn wel meer gegevens in Gods openbaring die we niet kunnen rijmen: Gods voorzienigheid en onze eigen verantwoordelijkheid, om maar iets te noemen.

Op methodisch vlak. Niemeijer stelt (o.a. op blz.22) dat we  altijd hebben gelezen vanuit ons wereldbeeld, het maatschappijbeeld waarin de vrouw handelingsonbekwaam was. Hij vindt dat dat de Bijbel geen recht doet. Toch hanteert hij zelf wel deze manier van lezen. Dat blijkt op blz. 33, waar hij zegt : onze wereld is groter geworden, en dus (!) hebben we een nieuwe bril nodig. Daarmee laat hij  de maatschappij bepalen welke bril we op moeten zetten. Op blz 61 schrijft hij dan weer dat het gelijkheidsdenken van de huidige maatschappij niet zijn ideaal is. Verwarrend. Zo wordt de lezer gemakkelijk op het verkeerde been gezet. Want hier krijgt hij de indruk dat de huidige maatschappij niet van invloed is op Niemeijers lezen. Het lijkt of de eerbied voor de tekst van de Schrift gehandhaafd blijft. Maar bij doordenken op dit punt rijst de vraag of zo (ongetwijfeld onbedoeld) niet toch het gezag van de Schrift uitgehold wordt. Het kan best zijn dat de oude bril niet (meer) voldoet. Maar daarmee is nog niet gezegd dat een nieuwe beter is. Want hoe kun je verifiëren of je met die nieuwe bril inderdaad beter ziet? Ik kom hier nog op terug onder punt 4.
                
Op redenatie-vlak. Eeuwenlang waren begaafde en leidinggevende vrouwen uitzondering, nu komen ze steeds meer voor, zo stelt Niemeijer (blz 64). Hij wil dat als leiding van de Heilige Geest zien.  Maar dat zou betekenen dat de Geest al die eeuwen aan gaven voorbijgegaan is. (Of moeten we zeggen dat ze er toen niet waren? Maar hoe kunnen we dat dan aantonen?) En dat Christus’ kerk dus tekort gekomen is. Is dat dan ook leiding van de Geest? Het is inconsequent om wél het  nu voorkomen van gaven aan de leiding van de Geest toe te schrijven en níet het verloop van de kerkgeschiedenis ten aanzien van de gaven van de zusters. Als het nu leiding van de Geest is, was het dat vroeger ook. Of ligt dat gecompliceerder? Dan is er des te meer reden om heel voorzichtig te zijn met een beroep op de leiding van de Heilige Geest.

3. Onheldere begrippen

Niet altijd zijn de begrippen helder. Neem het begrip patriarchaat in hoofdstuk 5. Is dat bedoeld als culturele samenlevingsvorm of als gezagsverhouding? En hoe waardeer je die dan? Enerzijds is er sprake van ‘een situatie van verworden patriarchaat’, anderzijds wordt het primaat van de man in dat hoofdstuk wel gehandhaafd.
Door deze onhelderheid wordt de inhoud van hoofdstuk 5 dubbelzinnig. Het verscheen eerder in het blad Nader Bekeken (febr. 2017) en diende toen als onderbouwing van de argumentatie dat we de deputaten van de synode niet moeten volgen. In dit boekje dient het als argument dat we verder moeten kijken dan onze neus lang is, en dat we deputaten dus wel kunnen volgen. De opvatting in de context van Nader Bekeken wordt immers geheel onderuit gehaald door de nu toegevoegde vraag ter overdenking op blz. 61 (“Is het niet vreemd dat de vrouw in de kerk (het lichaam van Christus) minder ‘rechten’ heeft dan in welke sector van de samenleving ook?”). Ik kan die vraag niet rijmen met het voorafgaande.

4. De gehanteerde hermeneutiek

Een fundamenteel punt is de gehanteerde hermeneutiek. Die is onvoldoende helder. Althans: Niemeijer praat te gemakkelijk over problemen heen. Hij wil de klassieke hermeneutiek handhaven, maar wat die precies inhoudt geeft hij  nauwelijks aan. Het zou goed zijn geweest als dat scherper geformuleerd was. Want dan zou gebleken zijn dat de manier waarop hij de huidige maatschappelijke ontwikkelingen in zijn betoog betrekt, zich  in de uitwerking van de klassieke hermeneutiek verwijdert.
Dit hermeneutische punt moet dus aandacht hebben. Maar als Niemeijer op blz. 16 een beroep doet  op K. Schilder is dat niet ter zake, want K.S. had het bij het in rekening brengen van de concrete werkelijkheid niet over uitlegkundige zaken, maar over de ethiek. En als   Niemeijer op blz. 17 van zichzelf zegt dat hij weleens te snel knopen doorhakte, dan heeft ook  dat niets met hermeneutiek  te maken. Dat is een kwestie van voldoende zorgvuldig lezen.
Het is mooi dat Niemeijer niet wil breken met de klassieke hermeneutiek. Maar in de uitwerking is hij onvoldoende consequent. Meer dan eens komen er passages voor als: we hebben nu een betere bril (hebben die zelfs nodig, blz. 65), en we mogen lijnen doortrekken. Het gevaar van dergelijke uitspraken is dat je maar al te gemakkelijk uitkomt bij méér relativeringen.
De vraag of Niemeijer nieuwe hermeneutiek hanteert is wel degelijk van belang. Nieuwe hermeneutiek  houdt (heel kort samengevat!) in dat de lezer vanwege zijn veranderde verstaanshorizon mee bepalend is voor de betekenis van de tekst (Gadamer/Ricoeur). (Gadamer betrok dat overigens in eerste instantie op kunst, en gaf aan dat het niet zeker is of zijn opvatting ook voor alle teksten geldt!).
Hij onderzoekt of de Schrift zelf aanleiding geeft om te stellen dat we teksten nu anders mogen hanteren dan in de situatie waarin ze geschreven zijn. Dat zou dan niet de betekenis  van de tekst wijzigen, maar wel onze omgang daarmee. Als de Schrift zulke aanwijzingen inderdaad geeft, is de gewijzigde omgang met de tekst legitiem.
Dat doet hij in hoofdstuk 6, Het heeft de Heilige Geest goed gedacht... Dit hoofdstuk bevat een beschouwing over Hand. 15. De Heilige Geest opent nieuwe wegen naar eerst de Samaritanen en daarna de heidenen. En ook verder in Handelingen treedt telkens weer de Heilige Geest sturend op. Met name geldt dat het openen van deuren. Niemeijer zegt dan dat we  de Heilige Geest niet moeten belemmeren, maar oog moeten hebben voor gaven die de Geest geeft. Die geeft Hij ook aan zusters. Zoals de Geest de gemeente in Hand. 15 christen laat zijn in hun tijd, doet hij dat ook nu. Hand. 15 gaat weliswaar niet over de ambten, maar over het delen in het heil,  dat erkent Niemeijer op blz. 65.  Toch gaat hij, door Num. 11 erbij te betrekken, over op de oudsten.  Waar toen het profeteren beperkt bleef tot enkelen (de oudsten), is dat nu niet meer zo: de Geest is uitgestort op allen. Iedereen heeft gaven. En, zo redeneert hij dan, zou Timoteüs dan het inzetten van die gaven door iedereen verbieden?  Is er sprake  van misbruik van geestesgaven puur en alleen omdat de vrouw ze gebruikt? (blz. 67)
Maar zo kan Hand. 15 als breekijzer gaan fungeren om andere teksten van de geïnspireerde apostelen buiten spel te zetten. Teksten die, let wel,   opgeschreven zijn ná Pinksteren. Niemeijer vat Hand. 15 blijkbaar zo op: wat hier gebeurt, laat zien dat de Geest  ons leidt tot steeds meer inzicht, en zelfs tot inzichten die expliciete verboden geleidelijk aan buiten werking stellen. De Geest heeft ons beter inzicht gegeven. Maar dat doet  denken aan zoiets als (een gematigde variant van) voortgaande openbaring. Deze manier van redeneren stelt uiteindelijk geen rem op eigen interpretaties. Iets wás wel verboden, maar de Geest is verder gekomen, en dus mogen wij die teksten anders hanteren. Wat vroeger niet mocht, mag tegenwoordig wel. De Geest maakt in Hand. 15 immers duidelijk dat we steeds ruimer mogen worden, en dat consensus mede door de Geest ingegeven wordt. We mogen ontwikkelingen in de Bijbel signaleren en die doortrekken tot na de nieuwtestamentische tijd. Op die manier wordt Hand. 15 uitgespeeld tegen de “zwijgteksten”. Daar komt hij op  blz. 65-67 wel op uit. De enige restrictie is nog: gaven.
Nee, dat is misschien geen nieuwe hermeneutiek. De zakelijke betekenis van de teksten verandert er niet van. Maar de huidige maatschappij krijgt wel invloed op de vraag of het betreffende schriftgedeelte nog wel voor ons geldig is. Voor de ethiek en de vormgeving van het kerkelijk leven komt dat in de consequenties toch wel heel erg dicht bij wat je van de nieuwe hermeneutiek als resultaten mag verwachten. Dat dit voor lezers die de moeite nemen om de resultaten van Niemeijers omgang met de Bijbel (op dit punt) nader te beschouwen overkomt als nieuwe hermeneutiek is bepaald niet vreemd.

Over dit omgaan met teksten en het beoordelen van eventuele culturele invloeden  nu nog wat algemenere opmerkingen, nodig om de argumentaties van Niemeijer – en van anderen - op concrete teksten te kunnen wegen. Het is inderdaad in veel gevallen  nuttig om de culturele context in rekening te brengen. Maar dat is dan om de betekenis scherper te stellen, niet om die betekenis te beperken  tot die specifieke situatie. Zodra dat laatste gebeurt, is er reden om  na te gaan of die situatie werkelijk zó bepalend is dat een tekst voor de huidige situatie geen kracht heeft. Of preciezer geformuleerd: de verantwoording waarom de achtergrond deze beperkende werking heeft moet kritisch bevraagd worden. Zo’n beperking moet   op z’n minst impliciet in de tekst zelf aanwezig  zijn, en aan te wijzen zijn. In 1 Tim. 2 (en andere teksten) is dat niet het geval.  Zelfs als de situatie in Efeze (met zich opdringende “feministes avant la lettre”) voor Paulus de aanleiding zou zijn geweest om het zo te formuleren als hij in 1 Tim. 2 doet, wil dat nog niet zeggen dat wat hij schrijft tot die situatie beperkt moet zijn. Dat zeggen we bijv. ook niet over Paulus' waarschuwing dat wie het lichaam niet onderscheidt, zich een oordeel drinkt (1 Kor. 11:29).
Opvallend is t.a.v. 1 Kor. dat Niemeijer het recente commentaar van Anderson niet noemt. Maar misschien is dat wel begrijpelijk.  Anderson toont namelijk regelmatig aan dat Paulus zich helemaal niet zo sterk aanpast aan de omringende cultuur, sterker: daar nogal eens dwars tegenin gaat. (Ook Mirjam Klinker-de Klerck doet dat in haar proefschrift Herderlijke regel of inburgeringscursus?). Overigens,  als bepaalde voorschriften passen in een bepaalde cultuur hoeft er nog niet van aanpassen sprake te zijn. Het kan ook zijn dat (bijv.) Paulus zich op een bepaald punt aan kon sluiten bij die cultuur omdat die op dat punt overeenkwam met Bijbelse uitgangspunten. Dat iets past in een bepaalde (in dit geval: de Helleense) cultuur, zegt op zich dan ook weinig. Het culturele argument fungeert nogal eens in een soort (doorgaans onuitgesproken) vooruitgangsgeloof: onze cultuur is beter dan de vroegere, en dus zou aanpassen aan de onze gewenst kunnen zijn.

Waarom in het voorafgaande zoveel aandacht voor de hermeneutiek? Allereerst: Niemeijer besteedt er zelf veel aandacht aan. Hij verweert zich tegen beschuldigingen van het hanteren van nieuwe hermeneutiek. En inderdaad, dat is geen dominante lijn in zijn betogen. Maar toch... omdat hij onvoldoende scherp omschrijft wat de klassieke hermeneutiek inhoudt, blijkt hij onvoldoende weerbaar tegen de methoden van de nieuwe hermeneutiek. Op blz. 70 betoogt Niemeijer dat het voor Paulus' lezers vreemd geweest zou zijn als hij ineens over vrouwelijke ambtsdragers was gaan spreken. Reden: dat zou niet passen bij de toenmalige positie van de vrouw. Niemeijer leest daar een intentie van Paulus in de tekst in en weet ook wat Paulus daarbij overwogen heeft. De tekst zelf geeft voor die intentie en overweging geen aanleiding. Het is een veronderstelling van Niemeijer zelf. Maar die geeft hem vervolgens wel vrijmoedigheid, de lijn die Paulus trekt los te laten. De Heilige Geest zou ons namelijk verder geholpen hebben. We leven in een andere situatie waar de Geest ons er nu wel rijp voor maakt. Een nieuwe vooronderstelling van Niemeijer. Het gevolg is dat niet meer dat wat er staat de doorslag geeft, maar veronderstellingen die niet hard gemaakt kunnen worden en speculatief zijn. Maar intussen wordt een instructie van de apostel wel naar de betekenis omgekeerd. Tekenend is ook de zin: “Paulus kon wachten tot de Geest dingen duidelijk maakt”. Dat is methodisch identiek aan voortgaande openbaring: wat in de tijd van het Nieuwe Testament niet duidelijk was (en ook niet door de apostelen aangegeven werd) dat weten we nu wel. Nee, dat is ongetwijfeld Niemeijers bedoeling niet. Maar door methodische onzorgvuldigheden blijkt hij daar toch wel op uit te komen.
Wat Niemeijer in dit verband niet in rekening brengt (en daarin is hij niet de enige)  zijn die aanwijzingen in de Schrift die dat “doortrekken” beperken tot de apostelen. Als Jezus zegt dat de apostelen in alle waarheid geleid zullen worden, mag je dat niet verder trekken. Allereerst richt Jezus zich expliciet alléén tot de apostelen. Bovendien legt Hij ook nog uit wat Hij bedoelt: de Geest zal hen in herinnering brengt wat Hij hen geleerd heeft (Joh. 16:14).  Ook Hebr. 1:1 en 2 maakt duidelijk dat we het  moeten doen met wat het NT ons geeft. We mogen ons dus nooit beroepen op iets als: de Geest heeft ons verder gebracht, we weten nu meer (meer weten betekent bovendien nog niet altijd: beter weten).

In zijn betoog over de  invloed van de cultuur op het lezen van de Bijbel is Niemeijer overigens inconsequent. Als de eigen horizon zo sterk bepalend is voor hoe je de Bijbel leest, hoe rijm je dat dan met het voorbeeld op blz. 28, over de reactie van Afrikanen op  1 Kor. 7:4?  Ondanks hun geheel andere cultuur was het voor hen meteen glashelder wat Paulus bedoelde toe hij zei dat de vrouw zeggenschap heeft over het lichaam van de man.  Geen vertaalslag nodig. Niemeijer heeft zich ook niet geconfronteerd met die studies die de invloed van de verschillende horizonten relativeren. Ik verwijs hier naar Pieter Boonstra’s proefschrift Omgaan met de Bijbeltekst in de preek. Hij toont aan dat in gereformeerde preken ook altijd een rechtstreekse aanspraak plaatsvindt. Maar als je zo sterk de culturele verschillen in aanmerking moet nemen, is die directe aanspraak niet mogelijk. Met een beroep op de verschillende culturele context moet je dus wel voorzichtig zijn.

Op blz. 74-76 geeft Niemeijer een verhandeling over Rom. 14 en 15. Je kunt je afvragen of dit gedeelte niet beter weggelaten had kunnen worden. Zeker, Niemeijer heeft gelijk als hij zegt dat we niet te snel moeten zeggen dat de ander in strijd komt met het woord van God (blz. 75). Maar wat bedoelt Niemeijer met: “We hoeven de ander zelfs niet te overtuigen”? Deze woorden fungeren als een opmaat voor de pluriforme omgang met de synodebesluiten zoals Niemeijer die verwoordt in het laatste hoofdstuk. Maar neemt hij  zo degenen die ten aanzien van de besluiten over M/V en ambt het Schriftgezag in geding zien wel voldoende serieus? Weegt hij dan voldoende hun methodische bezwaren tegen het soort argumentatie van de synode? Zij zullen alleen meegaan als  ze  overtuigd worden van (op z’n minst gedeeltelijk) ongelijk.

5. Gezagsrelaties

Onhelder is waar Niemeijer nu precies naar toe wil. Enerzijds wil hij niets afdoen aan wat in o.a. Ef. 5 gezegd wordt over de relatie man/vrouw. Anderzijds relativeert hij  sterk het idee van gezag. En dat leidt dan tot de uitspraak op blz. 69 dat Paulus het in 2 Kor 5:18-21 niet over gezag heeft. Maar: de hele brief gaat over het definitieve herstel van Paulus’ gezag als apostel.  De passage van 2 Kor. 5 lijkt dan over iets anders te gaan, maar als je dat hoofdstuk leest in het geheel van de brief (klassieke hermeneutiek!) dan is geen andere conclusie mogelijk dan dat het heil van de Korinthiërs alles te maken heeft met het erkennen van zijn gezag. De brief (met uitzondering van de hoofdstukken 8 en 9) gaat over niets anders! Sterker: omdat hij brenger van het evangelie is, staat en valt hun heil met het erkennen van zijn gezag. (Om dat aan te tonen is een structuuranalyse nodig, daar is hier geen ruimte voor.) Anni Hentschel toont in Diakonia im Neuen Testament aan, dat het in deze passages gaat over een gezag als van een ambassadeur. Wie Paulus minacht, minacht zijn Zender.

Conclusie

Niemeijer stelt veel vragen bij de klassieke exegesen en opvattingen. Dat mag, uiteraard. Maar ze worden bij nadere analyse niet echt beantwoord. Het kan zijn dat de klassieke exegese teveel vragen oplevert, en misschien zelfs onhoudbaar is. Maar de juiste methode is dan: ga nog eens nauwkeurig na wat ze wel zeggen. Zonder dat er bij voorbaat een paar uitkomsten uitgesloten worden. De volgorde die Niemeijer hanteert is niet altijd  correct. Dat de uitkomst dan veel vragen oproept is niet zo verwonderlijk.

Bij nadere beschouwing blijkt het dus heel lastig om mee te gaan met het synodebesluit, en tegelijk gereformeerde schriftuitleg te blijven hanteren. Niemeijers boek geeft geen reden om het synodebesluit wel schriftuurlijk te noemen. Er zijn teveel haken en ogen. Het taalgebruik is op zich sympathiek, maar wordt gekenmerkt door onheldere begrippen, en nogal wat innerlijke tegenstrijdigheden.

Is het heil in geding? Je zou zeggen: nee. En toch. Het is niet zozeer het antwoord op de vraag of zusters in het/een ambt mogen dienen. Dát antwoord ontneemt ons het heil inderdaad niet. Maar daarachter ligt een andere vraag: mag je zo met de Schrift omgaan? En dáár hangt uiteindelijk ons heil wél van af.

Kortom: Niemeijers boekje kan helaas niet beschouwd worden als een geslaagde poging de lacune op te vullen. Wie zich wil bezinnen op de vraag of zusters kunnen dienen in het ambt, kan dit boek jammer genoeg niet als gids gebruiken. Zijn manier van omgang met de Schrift roept daarvoor teveel vragen  en  soms onoverkomelijke bezwaren op. Beter is het om nog eens zelf (bijv. aan de hand van gereformeerde commentaren) na te gaan wat de diverse teksten zouden kunnen bedoelen. En daarbij Greijdanus’ drieslag te hanteren: Lees wat er staat, laat staan wat je leest, en ga dan uitleggen. En begin dan dus niet met het laatste, maar bij het eerste.

Zuidwolde (Dr), juli/dec 2018


Voetnoten

I
De manier waarop Niemeijer in hoofdstuk 7 op tegenargumenten ingaat lijkt niet onaardig, maar is bij nadere beschouwing toch niet helemaal fair. Het kan best zo zijn dat er kerkleden zijn die onhelder formuleren waarom ze tegen zusters in het ambt zijn. En er zullen er vast ook wel zijn die ongeveer zo redeneren als Niemeijer weergeeft. Maar wil je werkelijk een goede tegenargumentatie geven, dan moet je je niet laten afleiden door onjuiste weergaven van “klassieke” argumenten. Dat gebeurt in hoofdstuk 7 nogal eens. Een paar voorbeelden.

  • Priesters
    Niemeijer schrijft: “Ambtsdragers hebben de roeping de verzoening te bedienen (gezien het vervolg zal hij bedoelen: de ouderlingen. ) Tegen de dienst van vrouwen in het ambt wordt ingebracht dat dat een priesterlijke taak was, en het ambt van priester was een exclusief mannelijke zaak.”(blz 68). Niemeijer vervolgt: “Opvallend is dat in deze argumentatielijn de oudsten worden gezien in het verlengde van priesters [...] (maar) je moet de ‘sprong’ van priester naar oudste wel zorgvuldig verantwoorden.” Zonder nadere onderbouwing wordt hier gesuggereerd dat die zorgvuldige onderbouwing niet gegeven is, of beter nog: dat die onderbouwing te vinden is in het Jodendom van toen. Hier glijdt Niemeijer uit: de negatieve opvattingen over vrouwen in het Jodendom dateren van (veel) latere datum. Bovendien zijn er ook uitlatingen in het Jodendom die de vrouw juist boven de man stellen. (zie M.C. Mulder in: Aarnoudse e.a.: Vrouwen op een zijspoor?, blz. 183 en vooral noot noot 29 op blz.195 – met dank aan Henk Room voor de verwijzing). En als het echt zo erg gesteld was: waarom kan de wijze vrouw uit Abel-Bet-Maächa dan wel functioneren? En waarom worden er wel spreuken van de moeder van Lemuël in het Spreukenboek opgenomen? Kortom: dit argument is niet houdbaar. Historisch onjuist en in de Schrift niet terug te vinden. Om Rachab en Ruth te beschouwen als voorboden van de toevloed van niet-Joden na Pinksteren moet je enige exegetische haarspeldbochten nemen. Zo zet je de lezer alleen maar op het verkeerde been.
  • De man van één vrouw
    Niemeijer merkt op dat tegenstanders van zusters in het ambt erop wijzen dat Paulus in 1 Tim. 3 van mannelijke opzieners uitgaat (blz. 70). Hij vindt een beroep op dat gegeven biblicistisch. We stellen tegenwoordig immers ook niet als eis dat een ouderling getrouwd moet zijn, terwijl dat wel in de lijst met criteria staat. Maar, redeneren de voorstanders van de oude situatie echt allemaal zo simplistisch? Waarom niet in rekening gebracht dat diezelfde Paulus die dit voorschrijft toch ook dankbaar is voor zusters die hem helpen (uitgebreid in Rom. 16). Bovendien is de strekking van 1 Tim. 3: indien getrouwd, dan de man van één vrouw. Dat kun je niet uitleggen als een verplichting om getrouwd te zijn. Net zo min als je uit 1 Tim. 2:8 mag afleiden dat je alleen met opgeheven handen zou moeten bidden (het gaat erom: als je bidt, dan met heilige handen, d.w.z. waar geen kwaad aan kleeft). Zo simpel als Niemeijer het voorstelt wordt er niet geredeneerd. Als je in de context wil lezen, moet je wel de hele context meenemen, wat doorgaans ook gebeurt. Zeker, hij zal vast wel eens gemeenteleden gesproken hebben die zo simplistisch redeneren. Maar dat mag geen reden zijn om dat als kenmerkend voor de ‘tegenstanders’ neer te zetten.
  • Het voorbeeld van Christus
    De leerlingen die de Here Jezus koos waren allemaal mannen. Terecht stelt Niemeijer dat dit een sterk argument is (blz. 71). Maar de redenatie die hij opzet om hier onderuit te komen rammelt. Het is zeker zo dat niet alles wat in de Bijbel als feit gemeld wordt, daarmee voor ons een gebod is. Maar dat wordt anders als je met een beroep op de uitstorting van de Heilige Geest daar onderuit wilt komen. “Toen Christus de twaalf riep was het nog geen Pinksteren...”. Inderdaad. Maar is dat relevant? Bij de roeping van Matthias (Hand. 1) speelt wel een rol dat het per se een man moet zijn. Temeer opvallend, omdat er wel degelijk zusters waren die aan alle eisen, genoemd in vers 21, voldeden.

Helaas zijn bovengenoemde voorbeelden met vele te vermenigvuldigen

II

Over 1 Tim. 2
We kunnen Niemeijer toestemmen, dat Paulus het in 1 Tim.2 niet expliciet over de ambten heeft. Maar als we de randvoorwaarden die Paulus stelt serieus nemen, heeft dat wel consequenties voor de vraag of zusters een leerambt mogen bekleden.

Niemeijers redenering start bij de opmerking dat we ‘topos’ niet met samenkomst moeten vertalen, maar met plaats. Nu kan ‘topos’ inderdaad plaats betekenen, dat is zelfs de eerste betekenis. Maar wat heeft Paulus’ toevoegen van ‘op elke plaats’ nu te betekenen? Het kan moeilijk slaan op elke andere plaats (dus niet alleen Efeze, maar ook Smyrna, en Korinthe enz.). Als Paulus wil refereren naar wat hij ook elders voorschrijft/leert, gebruikt hij daar een andere zinswending voor (zie bijv. 1 Kor. 4:17 en 7:17). Als het gaat om een algemeen voorschrift is het een volledig overbodige toevoeging (een open deur). Het moet dus gaan om iets in de gemeente waar Timotheüs het opzicht over heeft. Nu is een ‘topos’ altijd iets wat concreet aanwijsbaar is. Het moet dus gaan om iets specifieks. En dan kom je binnen het functioneren van een gemeente toch uit op een samenkomst. Het kan niet slaan op zoiets als ’iedere gelegenheid’, dan ga je in de exegese buiten het betekenisveld van ‘topos’ (zie over wat er wel en niet met een topos bedoeld kan zijn het Lexicon van Liddel/Scott/Jones.

Strikt genomen is de vertaling ‘op iedere plaats’ correct, maar aangezien je bij de nadere invulling toch uitkomt bij samenkomsten, is de vertaling NBG-2004 in dit geval helemaal zo gek nog niet. Laat die in dit geval dus maar gewoon staan....

Niemeijer gaat ervan uit dat Paulus ingaat tegen een wantoestand die in de gemeente van Efeze heerste, en die ons verder geheel onbekend is. Tegen deze opvatting zijn bezwaren in te brengen. Allereerst: De tekst geeft daar geen enkele aanleiding toe. De betekenis is glashelder. Zelfs al zou er een specifieke situatie zijn waarover wij niets weten, dan nog blijft staan wat Paulus schrijft. Bovendien, omdat de veronderstelde wantoestand onbekend is, kan er alleen maar over gespeculeerd worden, en dat is dan ook wat Niemeijer doet: “Zou Paulus in 1 Timoteüs 2 niet gewoon kunnen ingaan op een argument dat de vrouwen in Efeze gebruikten?” Het vervolg van deze paragraaf in Niemeijers boekje illustreert treffend waar speculeren je allemaal toe kan verleiden. Hij krijgt 'een indruk'. Tja, ik niet. En nu? Dan zullen we toch terug moeten gaan naar wat er nu eenmaal staat. Iets anders hebben we niet.

Tegen deze manier van omgaan met de tekst zijn fundamentele methodologische bezwaren in te brengen. De oude hermeneutiek – die Niemeijer zegt te willen handhaven – ging ervan uit dat externe factoren de exegese niet mogen bepalen. Een beroep op externe factoren is alleen toegestaan wanneer de tekst onoverkomelijke moeilijkheden geeft om tot een zinnige uitleg te komen. Of, iets genuanceerder: externe factoren kunnen helpen om nog iets scherper te krijgen wat een Bijbelschrijver nu precies bedoelt. Ze kunnen aanleiding zijn om nog eens na te gaan of de tot dan toe gebruikelijke exegese wel juist is. Een andere exegese moet dan wel gebaseerd blijven op Schrift met Schrift vergelijken. Maar dat is niet wat Niemeijer doet!

Voorbeeld: De schepping in zes dagen. Als er vanuit de natuurkunde/geologie vragen te stellen zijn, dan kun je nog eens nagaan of het woord “jom” wel altijd 24 uur moet betekenen. En of dat begrip ook anders te gebruiken is. Dan zou het best kunnen dat je ergens anders uit komt dan 24 uur, maar dat doe je dan door het woordgebruik te vergelijken in verschillende relevante teksten. Van een noodzaak daartoe is in 1 Tim. echter geen sprake. Temeer niet daar Paulus wel degelijk teruggaat op wat er bij de schepping en de zondeval gebeurd is. Dat geldt in Efeze, in Amsterdam, in Rijnsburg. Daar is niks cultureels, niks context-afhankelijks aan. Als er een aanleiding is om iets te regelen/voor te schrijven, dan kan het voorschrift wel degelijk een algemene strekking hebben. Het is onjuist om de geldigheid van een uitspraak n.a.v. een bepaalde situatie te beperken tot die situatie. Die denkfout wordt hier wel gemaakt.

Wat de concrete aanleiding van Paulus’ voorschrift is, is nu eenmaal slechts in zoverre relevant, dat het kan helpen om de strekking scherper te krijgen dan zonder de kennis van die aanleiding het geval zou zijn geweest. Dat neemt niet weg dat er geen reden is om hier een specifieke aanleiding te veronderstellen.

In vers 11 gebruikt Paulus een woord dat alleen hier voorkomt in het NT (en dat ook niet zo gebruikelijk is in het buitenbijbelse Grieks). Het gaat om het woord ‘authentein’. ‘Authentein’ is een vorm van gezag uitoefenen, maar doorgaans met negatieve bijbetekenis. De zinsconstructie is: het onderwijs geven sta ik de vrouwen niet toe, evenmin het “authentein andros”. (Andros is tweede naamval van ‘man’. In het Nederlands moet er een voorzetsel en een lidwoord bij: gezag hebben over de/een man, of we maken er een meervoud van: gezag hebben over mannen.) Over dat authentein is veel te doen, evenals over de zinsconstructie. Het is niet goed vol te houden dat het over twee afzonderlijke zaken gaat: met het onderwijzen is het ‘authentein’ gegeven (zo terecht Van Houwelingen). Gaat het dan over: als je onderwijs geeft, doe dat dan niet op een overheersende manier? Als dat zo is, en dat alleen tegen vrouwen gezegd wordt, geldt dat dan niet voor mannen? Mogen die dat dan wel? De vraag stellen is haar beantwoorden: Nee, ook mannen mogen dat niet. Dan moet het dus iets zijn wat op de een of andere manier met het onderwijs geven door zusters meekomt, en niet met het onderwijzen door mannen. Dat geeft dan toch een vorm van ongelijkheid in dezen. Het kan ook zonder negatieve connotatie. Dan is het gewoon gezag hebben, en dan is er geen andere conclusie mogelijk dan dat vrouwen geen gezag mogen hebben, en mannen wel (dat laatste blijkt dan uit andere gegevens).

Paulus geeft er dan een motivatie bij, die binnen-schriftuurlijk is. Geen verband met een situatie die specifiek voor Efeze zou zijn. Het argument (door Niemeijer gehanteerd op blz. 38) dat het gaat om vrouwen die zich opzichtig presenteren is niet sterk: het voorschrift van Paulus dat de zusters zich vooral door goede daden moeten laten gelden wordt ook door Petrus gegeven. Heeft Petrus dezelfde vrouwen op het oog, die dan dus ook elders zich opdrongen? Kortom: er is geen reden om die achtergrond bepalend te laten zijn, zelfs als die achtergrond de directe aanleiding zou zijn geweest. (Zie ook de voorgaande opmerkingen over het belang van aanleidingen.)

Er wordt wel eens gezegd: het gaat hier om een bijzondere situatie, want de argumentatie van Paulus komt alleen hier voor, en moet dus ook alleen hierop betrokken worden. Maar als de kracht van een argument afhangt van hoe vaak het voorkomt, dan zijn er heel wat meer zaken uit de Schrift die zwak staan. Niet voor niets wordt door vrijzinnige theologen de maagdelijke geboorte van Jezus ‘een zwerfkei’ genoemd: slechts twee teksten die daar op wijzen.

Hoewel er nog wel meer op te merken valt, laten we het hierbij. De conclusie moet luiden, dat de exegese van Niemeijer niet overtuigend is en zeker geen navolging verdient. Ze kan dan ook niet gebruikt worden om onder de strekking van 1 Tim. 2 uit te komen. Niemeijer doet de tekst van 1 Tim. 2 onvoldoende recht.

« Onderwijs geven en onderlinge verhoudingen in 1 Timotheüs 2 -

Bronnen

Werkgroepen



Overige Pagina's