Bezinning Man, Vrouw en Ambt
Studie naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van de synode-besluiten Meppel 2017
home nieuws
werkgroepen
bronnen agenda over ons contact
Dolf te Velde

Dolf te Velde

maandag 23 april 2018
M/V en onze omgang met de Bijbel

De gevoeligheid van de vraag of ‘het ambt’ opengesteld kan of moet worden voor vrouwen in de gemeente, ligt vooral in de koppeling aan het schriftgezag. Als we meegaan in het voorstel om ruimte te geven voor vrouwelijke ambtsdragers, moet je dan constateren dat we het gezag van de Bijbel wel met de mond belijden, maar dat we in de praktijk onze eigen gang gaan?

Er zit iets ongezonds in om zo veel gewicht te hangen aan één issue. We willen de vraag naar ‘vrouwen in het ambt’ beslissen op grond van de Bijbel, maar dat wordt zomaar een gevecht over de rug van de Bijbel. De vraag is of we daar goed aan doen. Kunnen we op een zinnige manier uit het vraagstuk ‘M/V en ambt’ komen zonder dat daarmee de aanvaarding van het gezag van de Bijbel op het spel staat?

Verlossende lijn

In dit artikel wil ik ingaan op drie mogelijke richtingen die hiervoor zijn aangewezen. De eerste bestaat uit het ontwikkelen van een inhoudelijke hermeneutiek op basis van de grote lijnen van het evangelie. Soms lijkt het alsof ‘hermeneutiek’ als bezinning op ons proces van het ‘verstaan’ van de Bijbel een eigen leven leidt naast de ‘exegese’ als een inhoudelijke ‘uitleg’ van concrete bijbelteksten. Een van de sterke punten van het deputatenrapport Samen dienen is, dat daarin een inhoudelijk gevuld leesvoorstel wordt gedaan om de bijbelse lijnen over ‘man en vrouw’ te duiden. Misschien lukt het in zo’n leesvoorstel om alle gegevens en aanwijzingen zo te plaatsen, dat ze elkaar niet tegenspreken maar harmoniëren in de grote beweging die God maakt van de eerste schepping naar een nieuwe wereld. De deputaten vullen dit op twee manieren in: in de eerste plaats rubriceren zij de uiteenlopende bijbelse gegevens over mannen en vrouwen in vier ‘lagen’ (p. 11 van het rapport):

  • Laag I Schepping
  • Laag II Gebroken realiteit
  • Laag III Bevrijdend herstel
  • Laag IV Fundamentele vernieuwing

Daarnaast spreken zij over een ‘cultuurbepaalde lijn’ en een ‘genadige lijn’ in het bijbelse spreken over de verhouding man/vrouw (p. 15). Bij de ‘cultuurbepaalde lijn’ denken we aan allerlei elementen uit de ‘gebroken realiteit’ na de zondeval, waarin vrouwen onderdrukt en achtergesteld worden. In contrast daarmee wordt steeds sterker een doorgaande lijn van verlossing zichtbaar, die alle ongelijkheid tussen mannen en vrouwen doorbreekt. De suggestie is duidelijk: bij die laatste lijn willen we aansluiten.

In het omgaan met de Bijbel lijkt het mij riskant om op deze manier een tegenstrijdigheid in te bouwen, niet maar in hoe wij de Bijbel uitleggen, maar in de Bijbel zelf. Verdraagt dat zich met het karakter van de Bijbel als Gods eigen Woord? Doet God het dan zélf de ene keer goed, maar de andere keer toch wat minder? Het lijkt erop dat de deputaten vanaf het begin vanuit een cultureel bepaalde voorkeur voor gelijkheid naar de Bijbel zijn gaan kijken. Daardoor halen ze consequent naar voren wat past bij de ‘genadige lijn’. Daartegenover spreekt uit het rapport soms een bijna negatief oordeel over andere kanten van het bijbelse spreken, wanneer dat blijft hangen in ‘cultuurbepaalde’ voorstellingen. Ik geloof dat we hier vanuit een gereformeerde visie op de Bijbel op glad ijs komen.

Een ander bezwaar is dat door de manier waarop de doorgaande, verlossende lijn geschetst wordt, een aantal concrete gegevens uit het Nieuwe Testament niet goed kunnen meeklinken. Is het niet vreemd dat dezelfde Paulus die zo radicaal alle onderscheid irrelevant verklaart in Galaten 3, tegelijk zulke pittige uitspraken doet om vrouwen op hun plaats te zetten? En dat hij die uitspraken ook nog eens stevig verankert door naar ‘de wet’ en naar de schepping van Adam en Eva te verwijzen? Dit geldt trouwens ook voor de apostel Petrus: als hij in zijn eerste preek op de pinksterdag zó radicaal de uitstorting van de Heilige Geest op álle mensen verkondigt, is hij dan later bij het schrijven van zijn eerste brief weer vergeten dat ‘zonen én dochters profeteren’ (Hand. 2:17)? Het lijkt erop dat in de Bijbel tegelijk de fundamentele eenheid van mannen en vrouwen, als beiden delend in het heil van Christus, met kracht naar voren wordt gebracht én er ruimte blijft voor een onderscheid in taken, verantwoordelijkheid en positie.

Een bredere beweging

Een tweede denkrichting die in verband met de discussie ‘M/V en ambt’ bepleit wordt, is dat we onze visie op de Schrift uitbreiden en verbreden. We moeten niet blijven staan bij een te simpel beroep op het ‘sola Scriptura’, want dat is niet de manier waarop God door zijn Woord leiding wil geven aan de kerk. De geschiedenis van de kerk laat zien dat nieuwe vragen opkomen, en dat bij het vinden van een antwoord op deze vragen nieuw terrein betreden kan worden dat als zodanig niet in beeld is bij de apostelen (NT) en profeten (OT). De suggestie dat we bij het vormgeven van de ambten in de kerk en bij het invullen van de posities van mannen en vrouwen ruimte hebben om verder te gaan dan de aanwijzingen in het Nieuwe Testament, wordt in twee ietwat verschillende vormen verdedigd.

Door de Geest geleid

De ene variant legt nadruk op het feit dat de kerk aan de leiding van de Heilige Geest is toevertrouwd. Sinds de afsluiting van de nieuwtestamentische canon gaat de geschiedenis verder, en daarin kan de Geest van Christus ons nieuwe wegen wijzen. Daarbij wordt verwezen naar uitspraken van Jezus over de Heilige Geest die ons in de waarheid leidt (Joh. 16:13). Kunnen we daaruit de conclusie trekken dat wij in onze tijd en cultuur tot inzichten gebracht worden die verdergaan dan wat in de bijbelse tijd werd opgetekend, maar die wel door de Geest zijn opgeroepen?

Het lijkt me van belang om de concrete context van dit woord over de Geest als Parakleet (Trooster) in het oog te houden. Jezus belooft in zijn afscheidsgesprek aan zijn leerlingen dat ze er straks niet alleen voor staan. Als ze met het evangelie de wereld in trekken, zal de Geest ze díe volle waarheid over Jezus te binnen brengen. Wat de Geest doet, heeft een innerlijke concentratie op en binding aan het goddelijke geheim van Jezus Christus. De waarheid van dit geheim is geopenbaard en doorgegeven in de geschriften van deze apostelen, de leerlingen van het eerste uur. De klassiek-gereformeerde schriftleer legt op deze verbinding tussen Geest en Woord sterke nadruk: omdat de Schrift door de Geest ingegeven is, en als Woord van God tot ons komt, zorgt diezelfde Geest er ook voor dat wij het gesproken en geschreven Woord begrijpen en aanvaarden.

Als we in diezelfde afscheidswoorden van Jezus zoeken naar de verbinding tussen de Geest en de voortgang van de geschiedenis en de cultuur van deze wereld, dan stuiten we eerder op een radicaal kritische verhouding (Joh. 16:8-11): de Geest zal ‘de wereld duidelijk maken wat zonde, gerechtigheid en oordeel is’. Ook wanneer in de geschiedenis van het gekerstende Europa maatschappelijke ontwikkelingen geduid kunnen worden als ‘vrucht van het evangelie’, moeten we er rekening mee houden dat in bijvoorbeeld de afschaffing van de slavernij en de emancipatie van vrouwen andere factoren en overtuigingen meespelen. Vanuit het christelijk geloof bekeken is er dan iets goeds in dat met het evangelie overeenkomt, en tegelijk iets slechts dat tegen het evangelie ingaat. Dit betekent dat de ‘leiding van de Geest’ nooit losstaat van de concrete geopenbaarde wil van God zoals de heilige Schrift die aan ons doorgeeft. Anders wordt het al gauw een ‘blanco cheque’, ingevuld met onze eigen constructies, ervaringen en overtuigingen.

Een leerzaam voorbeeld in dit verband is het zogeheten ‘apostelconvent’ in Handelingen 15. De christelijke gemeente krijgt met een nieuw probleem te maken: als mensen uit de heidenvolken tot geloof in Jezus komen, en ze sluiten zich bij de gemeente aan, moeten ze dan net als Israël besneden worden en zich aan de wet van Mozes houden? Welke weg moet de jonge christelijke kerk hierin gaan?

De uitkomst van het beraad van de gemeente in Jeruzalem, geleid door oudsten en apostelen, is een brief aan de kerk van Antiochië, waar de vraag vandaan gekomen was (Hand. 15:23-30). Opvallend is de formulering waarmee het besluit wordt geïntroduceerd (vs. 28): ‘In overeenstemming met de heilige Geest hebben wij namelijk besloten…’ Wij hebben wel eens de neiging om het om te keren: wij bedenken iets, en dan mag de Heilige Geest het ook nog eens goed vinden. Dat is best een spannende vraag in de discussie over ‘M/V en ambt’: staan wij open voor wat de Geest ons wil leren, of hebben we zelf ons standpunt al ingenomen?

Handelingen 15 laat op een mooie, concrete manier zien hoe de Geest de gemeente tot verder inzicht heeft gebracht. Het begint met de doortastende Petrus (Hand. 15:6-12): uit eigen ervaring heeft hij geleerd dat het verschil tussen reine en onreine dieren er niet meer toe doet, en dus ook het verschil tussen Jood en heiden niet. De doorslaggevende reden daarvoor geeft Petrus in vers 11: ‘We geloven dat we alleen door de genade van de Heer Jezus gered kunnen worden, op dezelfde wijze als zij.’ Hiermee grijpt Petrus terug op de kern van het evangelie. Dat is meer dan alleen de vraag stellen: ‘Wat zegt de Bijbel?’ Voor Petrus heeft de Bijbel heel duidelijk deze lijn: het gaat om de genade van de Heer Jezus.

Naast Petrus staat ook Jakobus op, de leider van de moederkerk in Jeruzalem. Hij spreekt als de hoeder van de erfenis van het Oude Testament (Hand. 15:13-21). Wat Paulus en Petrus vanuit de actuele situatie naar voren brengen, dat stemt overeen met de profeten. God was er altijd al op uit om ook de volken buiten Israël erbij te halen. En daarom is het goed om nu de nieuwe stap te zetten. Dat heeft dus z’n eigen belang, ook voor onze discussies van vandaag: de lange lijnen in de Bijbel, de verschillende uitspraken die je probeert te plaatsen. Je zoekt een oplossing vanuit de kern van het evangelie: de genade van onze Heer Jezus, en je verantwoordt die vanuit het geheel van het bijbelse onderwijs. Dat is de concrete manier waarop de Geest ons leidt en inzicht geeft.

De Bijbel: goddelijk ‘drama’

Een tweede variant van verbreding zet de leer over de heilige Schrift als zodanig in een ander kader. Theologen als Kevin Vanhoozer en N.T. Wright gebruiken voor hun visie op de Bijbel het model van een ‘drama’. Deze term heeft in korte tijd weerklank gevonden, niet alleen in Noord-Amerika, maar ook bij Nederlandse gereformeerden.1 De gedachte is dat we breder moeten kijken dan alleen de Bijbel als boek of bundeltje boeken. Het gaat erom dat door middel van de Bijbel als boek vol verhalen God zich live openbaart op het wereldtoneel, in een aantal opeenvolgende aktes. In het ‘drama’ van de Bijbel zijn wij niet alleen maar lezers of toeschouwers: de Schrift wil ook ons in actie brengen, om met ons leven het getuigenis over God uit te dragen.

Wright maakt een vergelijking met de beroemde toneelstukken van William Shakespeare.2 Stel je voor dat er een toneelstuk door Shakespeare geschreven is, waarvan de vijfde akte verloren gegaan is. Het is natuurlijk ongepast om er zelf een vijfde bedrijf bij te schrijven. In plaats daarvan worden de eerste vier aktes in handen gegeven aan een groep acteurs die rijke ervaring hebben in het spelen van Shakespeare. Zij nemen de eerste vier aktes, met alle personages, verhaallijnen en motieven intensief in zich op. Daarna spelen zij samen, al improviserend in de taal en de stijl van Shakespeare, de slotakte. Als voortzetting van de eerdere vier aktes is ook het laatste bedrijf onmiskenbaar Shakespeare, en toch komt het tot stand zonder een uitgewerkt script van de auteur. Is dit niet – vraagt Wright – hoe het met de Bijbel werkt? Ruwweg verdeelt hij het ‘drama’ van Gods openbaring in vier aktes waarvan de Bijbel vertelt: (1) schepping, (2) zondeval, (3) Israël, (4) Jezus. Als met Pinksteren het verhaal van Jezus is afgerond en de Geest het overneemt, begint de slotakte op Gods wereldtoneel. De eerste stukjes tekst worden nog in het Nieuwe Testament meegegeven. Maar daarna moeten we als kerk zelf verder. Uiteraard trouw blijvend aan de lijnen die in de voorafgaande vier bedrijven zijn getrokken, maar tegelijk vrijmoedig en creatief mogen wij door-improviseren op de in de Bijbel aangereikte thema’s.

Het ‘drama’-model is aansprekend en aantrekkelijk, en vraagt terecht aandacht voor de bredere verbanden van Gods heilswerk waarbinnen wij de Schrift ontvangen. Toch lijkt de keuze voor deze visie op de Bijbel – in het kader van de discussie ‘M/V en ambt’ – mij op een aantal punten problematisch. Ten eerste maakt het de verhouding onhelder tussen de Bijbel zelf, als op schrift gesteld Woord van God, en onze toepassing en doorvertaling van dat Woord. Het mag waar zijn dat ook in de gereformeerde theologie, met haar sterke nadruk op het ‘sola Scriptura’, de Bijbel nooit los van traditie en context is gelezen. Steeds bleef daarbij wel het uitgangspunt dat iedere legitieme traditie en iedere legitieme toepassing van de Bijbel moet terugkoppelen naar de concrete inhoud van de Bijbel zelf. Om die terugkoppeling gaat het ook in het vinden van een bijbelse koers in het vraagstuk over ‘vrouw en ambt’. Het gaat mijns inziens mis wanneer de verantwoording van onze visie ten overstaan van concrete bijbelse gegevens wordt omzeild, door de Bijbel zelf in het bredere kader van een voortgaand ‘drama’ te plaatsen.

Dit laat zich, ten tweede, ook concreet illustreren. In het model van Wright is de ‘improvisatie’ in het laatste bedrijf aan strikte regels gebonden. Voor elke ‘variatie’ geldt dat die herkenbaar van het ‘thema’ moet zijn afgeleid. Hoe zien we dat terug in de koersbepaling rond ‘M/V en ambt’? Wanneer de bijbelschrijvers moeiteloos de eenheid van mannen en vrouwen konden combineren met een eigenheid die voor beiden ook een onderscheid in verantwoordelijkheid en positie meebrengt, is het dan nog een variatie op hetzelfde thema wanneer we alle kaarten zetten op de gelijkheid van mannen en vrouwen, en een eventueel onderscheid nog wel genoemd maar niet meer functioneel gemaakt wordt?

Dit artikel ging niet over de concrete vraag of het goed en bijbels verantwoord is om de kerkelijke ambten door mannen én vrouwen te laten bekleden. We zoomden uit naar de grotere beweging die we met een beslissing over dit vraagstuk maken in onze omgang met de Bijbel. Ik vat mijn conclusies in drie punten samen:

  1. In de verschillende visies op de positie van mannen en vrouwen in de kerk spelen vragen mee die raken aan de omgang met de Bijbel als het gezaghebbende Woord van God. Daardoor heeft een beslissing inzake ‘vrouw en ambt’ een bredere theologische strekking.
  2. Wanneer wij argumenteren langs de grotere lijnen in de Bijbel, zullen we dit steeds moeten terugkoppelen naar concrete bijbelse gegevens, ook wanneer die soms een andere richting uit lijken te wijzen.
  3. De leiding van de Geest in de geschiedenis van de kerk is altijd nauw verbonden met het getuigenis van diezelfde Geest in de Schrift, en is niet te vereenzelvigen met een door ons waargenomen cultureel-morele ‘vooruitgang’.

Uit Nader Bekeken, jrg. 24, nr. 3 (maart 2017) - Thema - Dolf te Velde


Voetnoten

1 Zie bijvoorbeeld Hans Burger, ‘De Bijbel. Een drama in vijf bedrijven’, in: Opbouw 58/19 (18 oktober 2014), en Rob van Houwelingen in een interview voor Onderweg 2/22 (26 november 2016).

2 Wright ontwikkelt dit model in een artikel ‘How Can the Bible Be Authoritative?’, oorspronkelijk gepubliceerd in Vox Evangelica 1991, 21,7-32, nu online beschikbaar: http://ntwrightpage.com/2016/07/12/how-can-the-bible-be-authoritative/

« Een pijnlijke waarheid - Brief Vijftien - Video - Het gezag van de Bijbel - Dr. Bart van Egmond »