Bezinning Man, Vrouw en Ambt
Studie naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van de synode-besluiten Meppel 2017
home nieuws start hier
werkgroepen
bronnen agenda over ons contact
Jakob van Bruggen

Jakob van Bruggen

dinsdag 19 december 2017
Spreken en Zwijgen van Vrouwen in de Gemeente

Dit tweede artikel in deze serie verscheen eerder in De Reformatie 67 (1991/2) pp. 397-401 (met toestemming van Jakob van Bruggen geplaatst)
Een opvallende en veel besproken passage uit Paulus' brieven is die waarin hij de vrouwen in de gemeente opdraagt te 'zwijgen'. In 1 Korintiërs 14,34 lezen we: ,,(Uw) vrouwen moeten zwijgen in de vergaderingen''. Wat betekenden die woorden voor Korinte? En welke implicaties hebben ze mogelijk voor vandaag?

Voorsorteren

Vooraf merken we op, dat het onjuist zou zijn deze tekst snel aan de kant te schuiven met de algemene opmerking, dat onze cultuur toch buiten het bereik van de (verouderde) bijbelwoorden valt. In De Reformatie van de vorige week bespraken we dit meer algemene punt. De conclusie was toen dat we ons zo gemakkelijk niet kunnen afmaken van Schriftwoorden. De culturele verschillen zijn niet zo absoluut als men vaak suggereert en de bijbelwoorden komen op uit een eigen bron. Zij blijken ook als het over man en vrouw gaat niet geënt te zijn op de toevallige situaties in de eerste eeuw, maar op de door God bedoelde scheppingscultuur.

In de tweede plaats moeten we oppassen voor een eenzijdige benadering van deze tekst in 1 Korintiërs 14. Ze wordt vaak getypeerd als de tekst over ,,de zwijgende vrouwen'' en met een zeker genoegen wordt dan geconstateerd dat de bijbel de vrouwen kennelijk monddood maakt in de gemeente. Wie in het Nieuwe Testament wat verder om zich heen kijkt, kan echter al snel ontdekken dat vrouwen in de oudste gemeenten helemaal niet monddood waren. Laten we, om van de diakonessen te zwijgen, alleen maar even denken aan de profetessen! De passage in 1 Korintiërs 14,34 moet onze verwondering niet wekken omdat ze zo zou afwijken van onze eigen ideeën, maar omdat ze reeds binnen het Nieuwe Testament opvalt, gezien de manier waarop daar in het algemeen over man en vrouw wordt gesproken.

In de derde plaats moeten we bij de uitleg van deze tekst er goed op letten dat we afzonderlijk spreken over de betekenis die het woord had voor Korinte en over de normen die wij er vandaag aan zouden kunnen ontlenen. Vaak benadert men deze tekst met een te grote geëngageerdheid. Men is bijvoorbeeld al vóór of tegen vrouwelijke predikanten in de gemeente of men is al een verdediger van haar stemrecht en dan benadert men deze tekst met de bedoeling haar te laten spreken of juist onschadelijk te maken. Goede exegese begint zeker bij deze tekst met enig zelfonderzoek.

Een goede scheiding van de beide vragen is ook gewenst om anachronismen te voorkomen. Onbewust wordt vaak de huidige gemeentelijke situatie geprojecteerd op het Nieuwe Testament. Alsof er ook toen al een scherp onderscheid bestond tussen formele eredienst en meer informele gemeentevergaderingen. En alsof ook toen al kerkeraad en gemeente precies zo waren afgebakend als dat in Dordrecht is gebeurd. Dit is zeker het geval niet. De moeilijkheid is echter, dat Paulus wel een kerkelijke situatie vooronderstelt, maar dat wij vaak niet meer precies weten hoe die situatie was. Dit kan er nog wel eens toe leiden dat de exegese moet eindigen met een aantal onbeantwoorde vragen.

Afbakenen

Allereerst moeten we ons bezig houden met de juiste afbakening van de tekstcoupure. We gaan in dit artikel nu maar voorbij aan het feit dat de verzen 34-35 in enkele handschriften zijn verplaatst. Belangrijker is de vraag of men deze verzen (zoals vroeger veel gebeurde) als een aparte eenheid moet nemen dan wel of men vers 33b erbij moet betrekken.

Wanneer men vers 33 als één zin leest, krijgen we de volgende afsluiting van het voorgaande: ,,(33a) Want niet de ordeloosheid komt van God, maar de vrede, (33b) zoals in al de gemeenten van de heiligen''. Onmogelijk is deze verbinding niet, maar er is ook veel te zeggen voor de verbinding van 33b met 34: ,,(33b) Zoals in al de gemeenten van de heiligen, (34) moeten (uw) vrouwen zwijgen in de vergaderingen''.

Tegen deze verbinding wordt wel aangevoerd dat het woord 'gemeente' (ekklèsia) dan in één zinsnede (vers 33b-34a) met twee verschillende betekenissen wordt gebruikt (gemeente resp. vergadering). Hier dreigt echter het reeds gesignaleerde gevaar van anachronisme. In de tijd van het N.T. betekent ekklèsia 'vergadering'. Het wordt vaak brachylogisch (afgekort) gebruikt voor de 'vergadering van de christenen'. Wij zijn meer gewend aan geregistreerde 'kerken' met een aparte naam enz. Een kerk kan bekend staan bij de overheid ook al houdt zij nooit meer 'kerk'. In de tijd van het Nieuwe Testament was dit (nog) niet mogelijk. Toen bestond de kerk in haar bijeenkomsten en het is zelfs de vraag of er al lidmatenboeken e.d. waren. In allerlei plaatsen kwamen sinds de evangelieprediking heiligen in vergadering bijeen: dat was dan de 'vergadering van God'. In al die vergaderingen zwegen de vrouwen bij een bepaald onderdeel. Zo moet het ook in de samenkomsten te Korinte. Het meervoud in vers 34 doet denken aan de diverse plaatsen van bijeenkomen in Korinte: men beschikte als christenen in die stad niet over een apart en zeer groot gebouw om vele christenen tegelijkertijd in onder te brengen (tegenwoordig vaak getooid met de naam 'kerk'). De gelovigen kwamen bijeen op verschillende huisadressen. In 1 Kor.1,1 wordt het enkelvoud ekklèsia gebruikt voor het totaal van deze 'secties' of huisgemeenten.

Conclusie: er is geen reden om aan de tegenwoordig meer gebruikelijke verbinding van vers 33b met vers 34 niet de voorkeur te geven, ook al kozen veel kerkvaders op dit punt anders.

Niet alleen de versverbinding is van enig belang, ook de nadere bepaling van het onderwerp. Gaat het nu over 'vrouwen' in het algemeen of over 'uw vrouwen' als een beperkt deel van alle aanwezige vrouwen? Sommige handschriften lezen 'uw vrouwen' en dan zou bij uitstek gedacht kunnen worden aan de gehuwde vrouwen. Toch kan dan ook wel worden gedacht aan de ongehuwde vrouwen waarvoor een man als 'voogd of patroon' de verantwoordelijkheid droeg. Zelfs zou nog zijn te denken aan de vrouwen in uw samenkomsten ('uw' ziet dan op de onderscheiden ekklèsiai, de verschillende huiskerken).

Wanneer in vers 35 sprake is van de 'eigen' mannen (idious andras) wordt echter de laatste gedachte afgesneden en blijkt dat we in ieder geval moeten denken aan echtgenoten of voogden. Men kan vanuit vers 35 echter nog niet zeggen dat het in 34 alleen om gehuwde vrouwen gaat: het is mogelijk dat de apostel ook aan de ongehuwden denkt die onder toezicht van een vader of broer of oom leven. Zelfs wanneer de apostel in vers 35 met 'de eigen mannen' uitsluitend zou doelen op de wettige echtgenoten waaraan de vrouwen thuis hun vragen moeten voorleggen, is het nog niet mogelijk om vers 34 beperkt en uitsluitend te laten slaan op de gehuwde vrouwen. Paulus wijst met een korte richtlijn terecht en schrijft hier zeker geen uitputtende verhandeling over alle denkbare situaties. Zou hij echter bedoeld hebben dat de gehuwde vrouwen moeten zwijgen, maar dat alle andere vrouwen onbeperkt mogen spreken, dan zou hij vers 34 toch wel heel deficiënt hebben geformuleerd. In de voorgaande verzen geeft hij ook steeds duidelijk aan wie er wél en wie er níet mogen spreken op een bepaald moment. De algemene en korte formulering in vers 34 geeft dan ook geen ruimte om aan te nemen dat Paulus hier richtlijnen wilde geven die uitgaan van het onderscheid in gehuwde en ongehuwde vrouwen. Hij spreekt hier vanuit het onderscheid tussen vrouwen en mannen (zie vers 35). Dat hij zijn formulering daarbij afstemt op de meest voorkomende situatie (de gehuwde en evt. de onder een curator levende ongehuwde) geeft geen aanleiding om inzake de zelfstandige ongehuwde vrouwen het omgekeerde te stellen van wat in vers 34 wordt opgedragen. We zouden de kort geformuleerde tekst dan overvragen op punten waarover zij zich niet uitlaat. We moeten bedenken dat Paulus in een concrete situatie met een korte richtlijn terechtwijst en dat hij niet een wetstekst schrijft voor de dilemma's in de 20ste eeuw.

We gaan nu verder uit van de verbinding van vers 33b met 34-36 en we zien deze coupure als een globale uitspraak over het zwijgen van vrouwen in de gemeente.

Taxeren

Voor een nadere bepaling van dit 'zwijgen' is de aansluiting aan het voorgaande van groot belang. In vers 26 is Paulus begonnen met de praktische uitwerking van het gezegde over de waarde van profetie en tongentaal. Wanneer men samenkomt is er van alles: psalm, lied, tongentaal, openbaring, uitlegging. Alles moet tot opbouw gebeuren. In 27 behandelt hij dan het spreken in tongentaal (dit leidt in 28 tot de opdracht: zwijgen in bijeenkomst-verband wanneer er geen uitlegger is). In 29 is het spreken van profeten aan de orde (in 30 leidt dit tot de opdracht: zwijgen wanneer een ander een openbaring krijgt). Omdat in 34 opnieuw een opdracht tot zwijgen volgt, ontstaat de indruk dat vrouwen zonder meer altijd moeten zwijgen, terwijl mannen op tijd mogen spreken in tongen of op hun beurt in profetie.

Hier rijst echter de vraag hoe Paulus dit kan rijmen met wat hij eerder schreef. In 11,5.13 wordt er nog van uitgegaan dat vrouwen profeteren en bidden (in een tong?!) en dan toch wel in het openbaar (daarom juist moeten zij de eerbaarheid in het dragen van de palla niet loslaten!). Hoe kan hij nu in 1 Korintiërs 14,34 opeens kategorisch het zwijgen opdragen?

Voor dit probleem zijn twee oplossingen aangedragen. Men kan 1. aannemen dat Paulus in hoofdstuk 11 de attitude aanpakt en in hoofdstuk 14 doorstoot naar een generaal verbod; 2. óf men kan aannemen dat Paulus in 14,34 niet spreekt over het profeteren of bidden in een tong, maar over een andersoortig spreken.

Dit spreken moet dan nader bepaald worden door vers 35: ,,Indien zij iets willen leren, laten zij thuis hun eigen mannen vragen'' En door vers 34: de onderdanigheid is in geding. Men kan denken aan alle horizontale spreken van mens tot mens in leerdiscussies en tegenwerpingen. Het doel van de profetie is immers 'leren' (14,31). In vers 34 wordt hetzelfde werkwoord gebruikt. Om de bedoelde lering te ontvangen moeten vrouwen niet spreken in de gemeente, maar thuis bij hun mannen navraag doen. Voorondersteld is dan dat het hier niet gaat om een passief aanhoren van de profetie waardoor automatisch lering wordt ontvangen, maar om een actief doorspreken naar aanleiding van de profetie. Dit doorspreken in een leersituatie is dan het moment waarop de profetie die is aangehoord wordt omgezet in lering voor allen. Er is dan niet een monologische leersituatie zoals in onze kerkdiensten, maar een plurale leerdiscussie waarin profeten samen de lering puren uit de ontvangen en aangehoorde profetieën.

Geesten van de profeten zijn onderworpen aan de profeten

Voor een beslissing op dit punt is de exegese van vers 32 van belang. Dit vers luidt in de NBG-vertaling-1951:
,,En de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen, want God is geen God van wanorde, maar van vrede''.
Wat betekent dit? Zijn de geesten der profeten aan de profeten onderworpen doordat zij zichzelf onder controle hebben en op tijd kunnen stoppen met profeteren, zoals in vers 29a.30-31a was opgedragen? Of wordt de profetie zelf aan een discussie onderworpen waarin de betekenis van de ontvangen openbaring nader wordt vastgesteld? In deze laatste richting wijst vers 29b. We lezen daar:
,,(Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren), en de anderen moeten het beoordelen''.

Er is blijkbaar niet alleen de profetie, maar ook een beoordeling van het geprofeteerde. Het werkwoord dat hier wordt gebruikt (diakrinein) doet ons denken aan de in 12,10 genoemde 'onderscheiding (beoordeling) van geesten' (diakrisis pneumatoon 12,10). En het daar gebruikte woord 'geesten' past weer bij hetzelfde woord in vers 32 (de 'geesten' der profeten zijn aan de profeten onderworpen). Profeten beoordelen elkaars uitspraken. Al spoedig blijkt dat ook nodig in de kerk om de valse profeten te ontmaskeren (zie de norm in 1 Kor.12,2-3), maar in Korinte fungeert het waarschijnlijk nog alleen maar positief: men haalt samen uit de ontvangen profetie de bedoelde lering.

Mocht nu dit wederkerig beoordelen bedoeld zijn, dan past het 'onderdanig zijn' (hupotassein) van vers 34 op hetzelfde verbum in 32: de geesten van de profeten zijn aan de profeten ondergeschikt, onderworpen. Wanneer vrouwen deelnemen aan het beoordelend leergesprek waarin de waarde en de betekenis van een ontvangen profetie worden bepaald, zouden de geesten van de mannen-profeten dus onderworpen zijn aan de vrouwen-profeten. Dit nu staat lelijk en is in strijd met de wet. Gód kan vrijmachtig mannen en vrouwen gebruiken voor zijn openbaringen, maar dit betekent nog niet dat mannen en vrouwen nivellerend met elkaar moeten omgaan binnen de kerk. De vrijheid van de vrouw voor God doet niet tekort aan haar relatie tot de man. Zo goed als een profeterende of in tongen biddende vrouw haar palla (teken van vrouwelijke attitude) niet moet afleggen (1 Kor.11) zo goed moet zij zich ook als vrouw stilhouden wanneer op dit profeteren een onderlinge beoordeling volgt. De geesten van de profeten zijn aan de profeten onderworpen, opdat allen lering ontvangen, maar juist omdat hier van onderwerping sprake is, is dit een moment waarop de vrouwen zich van het woord (moeten) onthouden.

De commentaar van Robertson-Plummer verwerpt deze exegese van vers 32: het zou in dit vers gaan om de mogelijkheid dat profeten gaan zwijgen, zij kunnen zichzelf beheersen. Hiertegen pleit echter dat vers 32 aansluit bij het slot van 31 (allen moeten leren) en dit sluit weer aan bij het slot van 29 (anderen moeten onderscheidend beoordelen). Bovendien is het woord 'geesten' (pneumata) in 14,32 goed te begrijpen wanneer hier gedoeld wordt op de actie van 'het onderscheiden van de geesten' (diakriseis pneumatoon). Ook past vers 33 dan beter: de individuele profeet moet zich voegen binnen de gemeenschap als geheel.

Het wordt nu wel duidelijk dat het in de vergaderingen van de christenen te Korinte anders toeging dan in de ons bekende erediensten. Omdat de profetie en het spreken in tongen in veel kerken onbekend zijn, is ook het beoordelend verwerken van de profetie niet bekend. Hoe moeten we ons dit voorstellen? Zijn er gegevens in het Nieuwe Testament die het ons mogelijk maken hiervan een wat een concreter beeld te krijgen?

Verwerken van profetie in Handelingen

Het boek Handelingen laat ons gelukkig en passant momenten zien waarin iets van dit beoordelen aan de orde is. Voorbeelden van het verwerken van profetie door een gemeenschap vinden we daar op diverse plaatsen.
Hnd.11,28-30 (profetie van een hongersnood met daaropvolgend het besluit van de gemeente tot de gaven aan Jeruzalem);
Hnd. 13,2-3 (op de aanwijzing van Barnabas en Paulus door de Geest volgt het besluit tot gebed, handoplegging en uitzending);
Hnd.11,2-18 (op het verhaal over de openbaring aan Petrus volgt beëindiging van de confronterende discussie in de vorming van een gemeenschappelijke mening)
Hnd.16,9-10 (het gezicht van de Macedonische man leidt tot een gemeenschappelijke conclusie over de verdere reis: men maakt uit het visioen iets op!);
Hnd.21,4-6 (door de Geest wordt tot Paulus gezegd, zich niet in te schepen, maar toch besluit men onder zeil te gaan; het is interessant te zien dat in deze groep ook vrouwen en kinderen zijn; mogen we dus aannemen dat deze vrouwen zich buiten de verdere besluitvorming hebben gehouden?);
Hnd.21,10-14 (profetie van Agabus over de binding van Paulus; contrasterende meningen over de gevolgen daarvan, besluit van Paulus en berusting van de anderen).
Kortom: de vaak zeer concrete aanwijzingen van de profeten vroegen om interpretatie en besluitvorming. Ook moest de wettigheid van een geestelijke uitspraak worden beoordeeld. Het blijkt dan voor te kunnen komen dat men anders handelt dan de profeet aangaf. De geesten van de profeten zijn aan de profeten onderworpen!

Thuis vragen

Tenslotte is er nog een ander argument dat ons stimuleert, het gebod tot zwijgen niet op te vatten als een verbod op profetie of tongentaal door vrouwen. Indien het in de verzen 34-35 zou gaan over dat profeteren of over het bidden in een tong, zou het logisch zijn geweest dat in vers 35 had gestaan: laten zij thuis profeteren of bidden (verg. 14,28b). Juist het feit dat in vers 35 alleen over het ontvangen van lering wordt gesproken, nodigt ons uit tot een meer beperkte opvatting van het zwijggebod, in aansluiting bij het eerder genoemde leer-element na de profetie.

Conclusie

In 1 Korintiërs 14,34-35 wijst Paulus erop dat de gaven die aan mannen en vrouwen gelijkelijk worden geschonken (m.n. profetie en glossolalie) en die ook door mannen én vrouwen bediend werden in de samenkomsten, er niet toe mogen leiden dat men in het onderling beoordelen van elkaars woorden en in de onderlinge verwerking van de openbaringen op voet van verwisselbare gelijkheid zou participeren. Op het menselijke vlak hebben man en vrouw specifieke plaatsen en houdingen en die moeten in acht worden genomen .

Gaat het hier nu louter om sociale usanties uit die tijd? Daartegen pleit de herinnering aan de wet (14,34c) alsmede de verwijzing naar de zede van alle gemeenten (14,33b.36b), een zede die samenhangt (14,36a!) met de start van het woord (niet met aanpassing aan de cultuur).

In feite staat de tekst indirect heel dicht bij 1 Tim.2,12 en daar vindt men meer expliciet de verwijzing naar de wet (nomos). Hier blijkt ook dat een algemene attitude inzake man en vrouw vooropgaat en dat vandaaruit in wijsheid een goede plaats moet worden gezocht én geboden, ook in het gemeentelijk samenleven.

Evaluatie

  1. De tekst is niet tijdgebonden en zij is zelfs vanuit de openbaring gemotiveerd: zij is in principe dus algemeen geldig.
  2. De tekst is geformuleerd in een specifieke, niet meer op deze manier aanwezige, situatie van directe openbaringen en de verwerking daarvan. Doordat vele bijbellezers een rechte lijn trekken van de profetie in het Nieuwe Testament naar de woordbediening in de huidige kerkdiensten, wordt een ernstige kortsluiting veroorzaakt. Een dominee profeteert niet! Hij legt profetieën uit. Daarom kan men 1 Korintiërs 14 alleen per analogie toepassen op andere, latere situaties, die maar ten dele vergelijkbaar zijn met wat in Korinte gebeurde.
  3. De heilige Schriften (met profetieën en geestelijke gebeden, gesproken door mannen én vrouwen) hebben bij ons de plaats van de profetie of de Godsgebeden destijds. In het publiek, gemeentelijk verwerken van deze Schriften (lerend, opiniërend en vermanend) is de opdracht aan de mannen en niet aan de vrouwen. Wanneer vandaag gemeenteleden de Schriftlezingen zouden doen in de eredienst, zouden zowel mannen als vrouwen daarvoor gevraagd kunnen worden: de schriftelijke neerslag van de profetieën is aan beiden gelijkelijk toevertrouwd. Wanneer vanuit deze profetieën lerend, beoordelend en vermanend tot de mede-gemeenteleden wordt gesproken is dit echter de opdracht voor de mannelijke oudsten. Mochten meer mensen aan die woordbediening deelnemen (zodat ook vraag en antwoord ontstaat) dan blijft hetzelfde gelden, omdat het zowel bij monoloog als bij groepsprediking blijft gaan om de onderlinge leersituatie.
  4. Tenslotte enkele voorbeelden van vraagstellingen die niet zonder meer vanuit deze tekst zijn te beantwoorden:
    • Hoe moet de houding zijn van vrouwen in de besprekingen op gemeentevergaderingen? Het antwoord op deze vraag hangt primair af van onze visie op het karakter van een gemeentevergadering en van de discussies aldaar.
    • Moeten vrouwen actief stemrecht hebben bij verkiezing van ambtsdragers? Het gaat bij de verkiezing niet om verwerking van openbaring in een proces van leren en onderwijzen aan elkaar. Vanuit déze tekst valt de vraag dan ook niet te beantwoorden.
    • Kunnen vrouwen ambtsdragers zijn in de kerk? Voor die vraag is deze tekst mogelijk van betekenis nadat we eerst het karakter van ieder afzonderlijk ambt hebben geformuleerd. In Ambten in de apostolische kerk heb ik vanuit deze diversiteit gewerkt en ik ben uitgekomen bij de aanwezigheid van diakonessen in het Nieuwe Testament en de afwezigheid van vrouwelijke oudsten. Met die afwezigheid van (lerende) oudsten heeft 1 Korintiërs 14,33b-36 zeker iets te maken.

« Agenda - Kerkleden (M/V) of Mannen en Vrouwen in de Kerk? »