Bezinning Man, Vrouw en Ambt
Studie naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van de synode-besluiten Meppel 2017
home nieuws start hier
werkgroepen
bronnen agenda over ons contact
Balten Pieter Hagens

Balten Pieter Hagens

zaterdag 24 november 2018
Sprekende zwijgteksten

Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk (1)

Hoe zouden bijbelgetrouwe christenen bijbelteksten moeten uitleggen die in tegenspraak lijken met wat we door de wetenschap te weten zijn gekomen (of denken te zijn gekomen)? Dit hermeneutische probleem, uit het – spraakmakende – boek: En de aarde bracht voort (2017) van dr. Gijsbert van den Brink, zou zo overgebracht kunnen worden naar ‘de vrouw in het ambt’.

Hoe zouden gereformeerde christenen bijbelteksten moeten uitleggen die in tegenspraak lijken te komen met wat ook door ons gewaardeerd wordt als maatschappelijke vooruitgang, of waarvan we denken dat dit vooruitgang is?

De Generale Synode van Meppel (2017) ‘loste’ dit probleem ‘op’ door bij haar besluit over de vrouw in het ambt de zogenaamde zwijgteksten buiten beschouwing te laten – omdat de exegese van deze teksten te zeer omstreden is om op basis hiervan vrouwen uit te sluiten van het leer- en regeerambt. Ds. Pieter Niemeijer ziet het buitenbeschouwinglaten van de ‘zwijgteksten’ door de synode als een verzuim. Hij schreef een cahier Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk (2018). Hiervan is onlangs een nieuwe editie verschenen bij uitgeverij De Vuurbaak. In deze publicatie wil hij alsnog de lastige vraag onder ogen zien of die ‘zwijgteksten’ – zoals door ‘behoudende’ kerkleden vaak gezegd wordt – de openstelling van met name de ambten van ouderling/predikant voor vrouwen inderdaad ‘verbieden’. Gezien de verwarrende situatie in de kerken is dat een prijzenswaardig initiatief.

Klassieke exegese

In zijn publicatie stelt Niemeijer de ‘klassieke exegese’ van de twee ‘zwijgteksten’ in 1 Timoteüs 2 en 1 Korintiërs 14 ter discussie. Maar wat bedoelt hij nu met de ‘klassieke exegese’? Eigenlijk is dat iedere exegese van de ‘zwijgteksten’ die ertoe leidt dat vrouwen geen ouderling/predikant kunnen worden. ‘Klassiek’ is dus niet zozeer de exegese zelf – die werd in de loop der jaren ook bijgesteld – als wel de kerkelijke ‘slotsom’ waartoe die exegese tot voor kort leidde.1 Het woord ‘klassiek’ krijgt daarmee de bijklank van verouderd en achterhaald, niet meer van deze tijd. Ongemerkt wordt zo de discussie over de exegese onderdeel van een maatschappelijk debat, zoals vandaag ook blijkt uit het (liberale) spreken over ‘behoudende’ en ‘vooruitstrevende’ gemeenten en gemeenteleden.

De ‘klassieke exegese’ houdt nu al zo’n 2000 jaar stand. Komt dat doordat die exegese zo overtuigend was? Volgens Niemeijer is hierbij wat anders aan de hand: deze exegese was een bevestiging van de bestaande maatschappelijke situatie van onderdanigheid van de vrouw en werd zodoende niet door de praktijk beproefd op houdbaarheid. Maar vandaag ligt dat anders: zowel de samenleving als onze kinderen stellen nu indringende vragen omdat de man-vrouwverhouding totaal veranderd is. Dat is zeker een aandachtspunt – bijbellezen vanuit een maatschappelijk vooroordeel is een valkuil – maar die verklaring heeft een keerzijde: het afwijzen van de ‘klassieke exegese’ is mogelijk een legitimatie van de vandaag bestaande maatschappelijke situatie met volledige gelijkheid van man en vrouw. De cruciale vraag is hier: beoordelen we onze situatie in het licht van wat Gods Woord zegt, of verstaan we het Woord van God in het licht van onze situatie? Dus: hoe lezen we de Bijbel?

Onze bril

Wat zien wij bij bijbellezen? Dat hangt van onze bril af. Zonder bril zien we heel weinig, met bril zien we meer en naarmate onze bril beter is, kunnen we steeds meer zien. Albert Einstein had een betere bril dan Isaac Newton en daardoor kon hij verder komen met ontdekken. Dat valt Newton natuurlijk niet te verwijten, want toen was er nog geen betere bril te krijgen. En zo gaat het bij bijbellezen ook.

Niemeijer past het ‘brillenverhaal’ uit de natuurwetenschappen zonder meer toe op de theologische exegese. Dankzij onze betere bril zien (ontdekken) we bij het bijbellezen nu meer dan vroeger. Maar dat is, zegt Niemeijer, geen verwijt aan voorgaande generaties die zich moesten behelpen met een ‘ouderwetse’ bril. Zij hadden eenvoudig geen andere bril tot hun beschikking. Het lijkt erop dat Niemeijer vindt dat wij een scherpere bril op hebben gekregen dan onze voorouders. Maar waar komt die scherpere bril dan vandaan? Hoe verhoudt dit ‘vooruitgangsgeloof’ zich tot wat de Bijbel zegt over de Geest die ons verstand verlicht (Ef. 1:18)? Hij doet dat door het op Schrift gestelde Woord van God. En dat Woord hadden zij toch evengoed als wij? Wat maakt onze bril dan scherper dan de hunne?

Wel is duidelijk wat deze ‘bril’ bij Niemeijer voorstelt, bijvoorbeeld als hij Efeziërs 5:21-33 leest. Hij leest deze passage als een vorm van wat je zou kunnen noemen ‘probleemgestuurd onderwijs’. Niemeijer reconstrueert eerst het historische probleem waarop Paulus in deze tekst zou ingaan, namelijk een ontaard huwelijksleven, waarin de man zijn positie als ‘baas’ misbruikt en de vrouw daarop navenant reageert. Vervolgens leest Niemeijer wat Paulus zegt als reactie op dit probleem. Echter, Niemeijer denkt, op basis van algemene kennis over die tijd, dat dit de context was waarop Paulus reageerde. Maar hij weet het niet zeker. Zijn veronderstelling komt ook niet op uit de tekst van Paulus zelf. Ondertussen stuurt die veronderstelde context echter wel de inhoudelijke zeggingskracht van de tekst. Volgens Niemeijer roept Efeziërs 5 man en vrouw op één te zijn, en dat te honoreren in hun onderlinge verhouding. Dat een man het ‘hoofd’ van zijn vrouw is (vs. 23) benadrukt niet zozeer het onderscheid van man en vrouw of de leidinggevende positie van de man – want de overheersende positie van de man was destijds onomstreden2 – maar roept op tot eenheid van man en vrouw als ‘hoofd’ en ‘lichaam’. De sturing door zo’n historische context leidt volgens Niemeijer niet per se tot betere exegeses – hoewel je een betere ‘bril’ hebt – maar biedt wel een gelijkwaardig alternatief binnen het assortiment van schriftgetrouwe exegeses.3

Emancipatie

Niemeijer leest de zogenaamde zwijgteksten 1 Timoteüs 2:12 en 1 Korintiërs 14:34 als probleemgestuurd onderwijs van de apostel Paulus. Zowel bij de gemeente te Efeze – waar Timoteüs voorganger was – als in de gemeente van Korinte zorgden vrouwen met geldingsdrang voor problemen. Zo waren er in Efeze opgedirkte vrouwen met opzichtige haardracht, dure kleding en kostbare sieraden (2:9). En in Korinte waren er gehuwde vrouwen die zich in de samenkomsten van de gemeente gedroegen als ‘vrije vrouwen’ door hun sluier af te leggen (1 Kor. 11). Uit buitenbijbelse bronnen weten we dat er in die tijd sprake was van een emancipatiebeweging van welgestelde vrouwen. Al deze informatie plus de inhoud van de ‘zwijgteksten’ verwerkt Niemeijer in de historische contexten. In Efeze was de situatie dat er vrouwen waren die hun eigen man hautain en zelfbewust publiek de les lazen (Paulus zegt dat dit niet kan). En in Korinte was de situatie dat er geëmancipeerde vrouwen waren die bij de publieke bespreking van profetieën hun eigen man attaqueerden en lastige vragen stelden (wat ook niet mag: heb je vragen of kritiek, doe dat thuis). In de ‘zwijgteksten’ zegt Paulus alleen dat vrouwen zich niet dominant (geldingsdrang) mogen opstellen tegenover hun eigen man. Zo zit die exegese als het ware opgesloten in een door Niemeijer zelf gereconstrueerde (?) historische context. Paulus was hier gericht op meer eenheid en verbondenheid van man en vrouw in het huwelijk.

Een bijkomend punt is dat Niemeijer 1 Timoteüs 2 en 3 van elkaar loskoppelt. De ‘klassieke exegese’ gaat ervan uit dat Paulus hier zegt hoe iedereen zich moet gedragen in Gods kerk (3:15 BGT). Dat begint dan in hoofdstuk 2 met regels voor de samenkomsten en gaat door in hoofdstuk 3 met regels voor opzieners en diakenen. Niemeijer bestrijdt dat: het gaat volgens hem in hoofdstuk 2 niet speciaal over de samenkomsten van de gemeente maar over de hele breedte van het leven.4 Als vrouwen niet met gezag mogen onderwijzen (vs. 12), geldt dat overal. Maar dit klopt niet met de Bijbel, want Priscilla onderwees Apollos en wij moeten elkaar onderwijzen (Kol. 3:16). Dus moet in vers 12 iets anders bedoeld zijn dan wat er traditioneel gelezen wordt. Of de ‘loskoppeling’ deugt niet!

Bijziendheid

Paulus staat niet toe dat een vrouw zelf onderwijst of gezag over mannen heeft (1 Tim. 2:12). Niemeijer ziet de woorden onderwijzen en gezag hebben als omschrijving van één bepaald optreden en verwijst dan onder meer naar het Commentaar van Van Houwelingen op de eerste Brief aan Timoteüs. Maar Niemeijers invulling ‘de les lezen’ is bijzonder twijfelachtig, want ondanks het woordje ‘les’ heeft ‘de les lezen’ weinig tot niets met onderwijzen te maken. Anders dan bij Niemeijer gaat het hier volgens Van Houwelingen over vrouwen die deelnemen aan discussies in de publieke eredienst. Paulus komt in 1 Timoteüs 2 met regels voor de samenkomsten van de gemeente, overal waar een gebedsplaats is, op elke plek waar christenen samenkomen voor de eredienst. Niemeijer heeft het hierbij over vrouwen die hun eigen man hautain en zelfbewust de les lezen – overal – en hun man kleineren, wat funest is voor hun huwelijk. Van Houwelingen stelt dat het hier niet uitsluitend (!) gaat over huwelijksrelaties – want ‘mannen’ is inclusief de eigen man –, maar over de man-vrouwverhouding in de vergaderde gemeente.5 Het huwelijk is wel altijd op de achtergrond aanwezig (vgl. ook 1 Kor. 14:35).

Het is mijns inziens goed denkbaar dat die emancipatiebeweging voor Paulus (mede) aanleiding was om Timoteüs te schrijven – het is mogelijk – maar daarmee is niet gezegd dat hij zich dan ook tot die aanleiding beperkt. Zijn motivering ‘want Adam werd als eerste geschapen, pas daarna Eva’ (vs. 13), laat juist zien dat Paulus het breder trekt en doorstoot naar het verschil in positie van man en vrouw sinds de schepping. Als een bepaalde situatie voor Paulus aanleiding is om Timoteüs te schrijven, wil dat niet zeggen dat die aanleiding – de historische context – ‘dus’ onze exegese moet bepalen. Dat is mijns inziens bijziendheid. De exegese moet gefocust zijn ‘op de zaak die de tekst communiceert’6en die hoeft niet samen te vallen met een eventuele aanleiding om te schrijven. De zaak die Paulus in de verzen 11-12 communiceert, is de man-vrouwverhouding in de samenkomsten van de gemeente.

Scheppingsvolgorde

Als Paulus – exegese Niemeijer – slechts de vrouwen zou verbieden om hun eigen man publiek de les te lezen, dan raakt die exegese vrijwel direct verstrikt in de motivering die Paulus geeft: ‘Want Adam werd als eerste geschapen, pas daarna Eva’ (vs. 13). Leert Paulus hier een verschil in positie van man en vrouw? Volgens Niemeijer komt de stelregel van Paulus dat de eerstgeschapene vooropgaat, niet overeen met de stelregel bij Genesis 1: wat het laatst komt, is het hoogst (de mens als ‘kroon van de schepping’). Paulus zegt dit als apostel en mag dit ook zeggen, maar wij mogen dit niet zomaar veralgemenen tot (normatieve) scheppingsorde. Hij zegt dit ‘in een speciaal verband en met een speciaal doel’ (Cahier p. 47, nieuwe editie p. 61-62). Paulus reageert zo op een situatie die wij niet precies kennen. Oftewel: hij gebruikt een gelegenheidsargument dat voor ons verder niet van belang is. Zo’n ‘oplossing’ laat zien hoe de exegese moet ‘buigen’ onder het juk van die historische context.

Ook Niemeijer zegt dat de man vooropgaat en het hoofd is. God spreekt Adam aan wanneer Hij zich tot de eerste mensen richt (Gen. 2 - 3). Maar als Paulus zich in zijn brieven op de schepping beroept, is dat (vooral) om de eenheid en verbondenheid van man en vrouw te benadrukken – aldus Niemeijer – en niet vanwege het onderscheid tussen man en vrouw of hun eigenstandige positie, want dat werd in die tijd helemaal niet ontkend (dus ook weer probleemgericht!).

Mijns inziens is hier sprake van een nogal kunstmatige tegenstelling: de eenheid en verbondenheid van man en vrouw wil God hun juist geven binnen het veilige kader van een huwelijk waarin man en vrouw verschillende verantwoordelijkheden hebben.

Bij 1 Korintiërs 14 – Vrouwen moeten gedurende (het leergesprek in) uw samenkomsten zwijgen – wijst Paulus op wat in de ‘de wet’ staat (vs. 34). Dat is bij Paulus altijd de wet van God – die via Mozes aan Israël werd bekendgemaakt. Inhoudelijk slaat dit op wat Paulus ook in 1 Timoteüs 2 zegt: God heeft eerst Adam gemaakt, en toen pas Eva. Deze ‘zwijgteksten’ stemmen zakelijk met elkaar overeen. Ook hier communiceert hij ‘de zaak’ van de man-vrouwverhouding in de vergaderde gemeente.

Halve waarheid

Om af te ronden, keer ik nog even terug naar Niemeijers exegese van 1 Korintiërs 14:34. Die zit niet alleen ‘opgesloten’ in z’n historische context, maar is ook ongeloofwaardig. Denk je toch eens in: een onderwijsleergesprek tijdens de kerkdienst. Vrouwen mogen hun eigen (!) man niet attaqueren met lastige vragen (exegese Niemeijer), maar andervrouws man kunnen ze dus wel met die lastige vragen attaqueren. Wat wordt dat voor toestand? Mijn vrouw zou dit niet pikken (spontane mededeling bij de voorbereiding van dit artikel). Ligt het niet veel meer voor de hand dat Paulus tegen die vrouwen zegt dat ze niet alleen hun eigen man maar ook elkaars mannen met rust moeten laten?

Ik kan mij prima vinden in de gedachte dat de apostel Paulus de eenheid en verbondenheid van man en vrouw – ook in de gemeente! – wil honoreren. Maar hun eenheid en verbondenheid moeten wel gestalte krijgen binnen het patroon van een huwelijk waarin die man verantwoordelijkheid ontvangt voor zijn vrouw en deze vrouw aan haar man tot helper wordt gegeven.7 Hun huwelijk moet veilig zijn in de samenkomsten van de gemeente. Daarom treft Paulus hier niet een (helaas) noodzakelijke verkeersmaatregel in reactie op een uit-de-hand-gelopen probleemsituatie, maar wijst hij ons op de veilige paradijsregel: Adam is als eerste geschapen, pas daarna Eva. Helaas wordt deze regel dikwijls ervaren als een inperking van ‘onze’ vrijheid, in plaats van een zuivere ‘regel ten leven’.

Niemeijer volstaat met een halve waarheid waarvan hij nu denkt dat het de hele waarheid is. Paulus verbiedt vrouwen deel te nemen aan de leergesprekken in de publieke eredienst. Hij doet dit om de eenheid en verbondenheid van man en vrouw in alle rust – ook in de samenkomsten – te stimuleren. Aannemelijk is mijns inziens dat Paulus hierbij geen seconde heeft gedacht aan vrouwelijke oudsten en/of voorgangers. Bij zo’n ‘sprekende’ regel hoeft daarover niet gesproken te worden.

Uit Nader Bekeken jrg. 25, nr. 11, november 2018 Thema I – Balten Pieter Hagens


Noten
  1. In de Korte Verklaring wordt bij 1 Tim. 2:12 en bij 1 Kor. 14:34 verwezen naar Gen. 3:16 (je man zal over je heersen) als een bevel van God. Maar dat bevel was toen al omstreden, want in de Korte Verklaring van Genesis zegt Aalders bij deze tekst wel heel iets anders: het is een vloek, terwijl de eis om te leven naar de oorspronkelijke (!) bedoeling van de Schepper blijft gelden. Het huwelijksformulier is inmiddels alweer enkele keren bijgesteld, en in de vrijgemaakte kerken zal vermoedelijk niemand meer bij die ‘zwijgteksten’ verwijzen naar Gen. 3:16. Maar de slotsom was nog altijd dat vrouwen geen ouderling/predikant mogen worden en daarom wordt het allemaal nog steeds tot die ‘klassieke exegese’ gerekend, hoewel de exegese zelf inmiddels ‘neoklassiek’ is en vrouwen vandaag in de kerk veel meer doen dan – bijvoorbeeld – een eeuw geleden
  2. Bij de exegese van 1 Tim. 2:11-12 neemt Niemeijer aan dat er in de gemeente te Efeze – waar Timoteüs voorganger was – vrouwen waren die hun eigen man publiek de les lazen; niet alleen in de samenkomsten van de gemeente maar – althans in zijn exegese – overal (dus in gezin, kerk, staat en maatschappij). Dan zou je toch denken dat die overheersende positie van de man in Efeze aan enige twijfel onderhevig was!
  3. Volgens Greijdanus (in de Korte Verklaring) gaat het bij Ef. 5:23 over (het onderscheid in) verantwoordelijkheid, volgens Floor (in zijn Commentaar) gaat het hier over verantwoordelijkheid én levenseenheid, en volgens Niemeijer gaat het vooral over levenseenheid. Zo zie je gebeuren dat deze exegese in de loop der jaren opschuift.
  4. Dat Paulus ook in hoofdstuk 2 over de samenkomsten spreekt, lijkt in vs. 8 te staan: ‘Ik wil dat bij iedere samenkomst…’ (NBV). Deze vertaling is een interpretatie, want in de oorspronkelijke tekst staat ‘op alle plaatsen’ (NBG-1951 en HSV). Dat wordt dan meestal uitgelegd als ‘op elke plaats waar de gemeente samenkomt’, zoals de Willibrordvertaling zegt (in de tijd van de apostelen kwamen de gelovigen samen in huisgemeenten). Maar volgens Niemeijer kun je ‘op alle plaatsen’ beter lezen als ‘overal’ en dan gaat hoofdstuk 2 niet speciaal over de samenkomsten maar over heel het christelijke leven. Dit lijkt mij nogal gezocht, ook gelet op het tekstverband. Ook in 1 Kor. 14:34 gaat het over ‘zwijgen’ in de samenkomsten van de gemeente.
  5. Voor verdere argumentatie: Dr. P.H.R. van Houwelingen, Commentaar Timoteüs-Titus, p. 70-77.
  6. Dr. Gert Kwakkel, in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, p. 112.
  7. Zie hierbij Ef. 5: man en vrouw moeten elkaar wederkerig in liefde dienen ‘binnen het patroon van een huwelijk waarin de man verantwoordelijkheid ontvangt voor zijn vrouw en waarin de vrouw aan haar man tot hulp wordt gegeven’ (dr. L. Floor, Commentaar Efeziërs, p. 190).

« Een betrouwbaar kompas - Heeft revisie vragen wel zin? »