Bezinning Man, Vrouw en Ambt
Studie naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van de synode-besluiten Meppel 2017
home nieuws start hier
werkgroepen
bronnen agenda over ons contact
Ferdinand Bijzet

Ferdinand Bijzet

woensdag 28 augustus 2019
Vrouwelijke ambtsdragers?

Steeds luider klonk de vraag of wij ook in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) de ambten niet moesten openstellen ook voor vrou­wen. Tot de Generale Synode van Meppel 2017 het zeker wist: de Bijbel laat ook ruimte voor vrouwelijke ambtsdragers open.
Je vraagt je dan af: hebben we ons dan werkelijk zolang ver­gist? Zou Christus kerk op dit punt zo'n 20 eeuwen gedwaald hebben? Zou de Heilige Geest de kerk dan zolang op een zo be­langrijk punt in het onzekere gelaten hebben?

En je mag je ook afvragen: hebben die predikanten in Zuid-Afri­ka die in al zo’n 30 jaar terug om deze zaak vanuit de Nederduit­sche Gereformeerde Kerk naar onze zusterkerken, de Vrye Gere­formeerde Kerke overgekomen zijn, dan ten on­rechte deze zaak zo hoog opge­nomen dat ze er een schorsing en afzetting om geris­keerd en aanvaard hebben? Was de scheur in de Christian Refor­med Church in Canada en Amerika om deze zaak dus onnodig ge­weest?

Lijn door de Bijbel

Stel dat we ons inderdaad 20 eeuwen zouden vergist hebben en Bijbel op dit punt altijd verkeerd gelezen, dan moeten we wel zeggen dat de Heilige Geest op dit punt wel erg moeilijk ge­maakt heeft om de Bijbel goed te begrijpen. Want dan is er blijk­baar eerst een hoop gegoochel met al­lerlei teksten nodig om tot con­clusie te komen dat vrouwen wél tot ambtsdrager bevestigd mogen, en dus: moeten worden.

Immers: wie Bijbel onbevangen leest, wie hoofdlijn door de Bijbel volgt, ziet niet anders dan dat de HEER aan vrouwen een andere dan de leidinggevende, vooropgaande positie geeft.

Laten we die lijn maar eens nagaan:

  • Meteen al bij de schepping van man en vrouw maakt de HEER geen tweeling, geen tweemanschap. Maar Hij maakt eerst een man, en pas daarna, als de man beseft dat hij alleen hulpbehoevend is, de vrouw uit de man tot hulp van de man.
  • De apostel Paulus grijpt op dit begin terug in 1 Timoteüs 2 als hij zegt dat het niet goed is dat de vrouw gezag heeft over de man: "Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva".
  • Wanneer de HEER na zondeval Adam en Mannin op hun plaats zet en aankondigt welke straf hen om hun ongehoorzaamheid te wachten staat, worden beide teruggeplaatst in de oorspronke­lijke rolverde­ling. Calvijn en de Kanttekeningen bij de Staten­vertaling hebben daar al op gewezen. Wat voor de val "lieflijk" was, zal nu wel "lastig" zijn, maar God handhaaft zijn oor­spronkelijke opzet en taaktoewijzing.
  • Als de HERE met Abraham een nieuw begin gaat maken, om heen te werken naar de komst van Christus, volgt Hij de man­nelijke lijn. Jacobs twaalf zonen worden de stamvaders van de twaalf stammen van Israël. Jacob had ook een dochter Dina. Maar Israël kent geen stam Dina.
  • Na de verbondssluiting met dit volk Israël bij de Sinaï, kiest de HEER alleen mannen tot pries­ter. Later lezen we wel over vrouwen die een verzorgende taak bij het heiligdom hebben (1 Samuel 2:22), maar het (hoge-)priesterschap werd alleen over de mannelijke lijn voortgezet.
  • De zus van Aäron en Mozes, Mirjam, komt tegen deze taak­verde­ling op een gegeven moment in opstand en eist ook een leiding­gevende positie voor zich op. Het gevolg is dat ze met melaats­heid gestraft wordt (Numeri 12).
  • In de vervalperiode na de intocht in Kanaän, de Richte­rentijd, geeft de HEER aan zijn volk wel de vrouw Debora om orde op zaken te stellen. Maar deze uitzondering bevestigt de regel: zij acti­veert juist de man Barak. En als Barak een held op sokken blijkt te zijn, moet hij de vernedering dragen dat niet hij als man, maar de vrouw Jaël de eer van de overwinning voor zich kan opeisen.
  • God heeft aan zijn volk Israel ook geen koninginnen ge­geven. Het koningschap waaruit eens Christus geboren zal wor­den, wordt gegeven aan "David en zijn zonen". De enige koningin die Israël gekend heeft was de vrouw Athalia die voor zichzelf de macht opeiste en Davids koningshuis uitroeien wilde. Zij heeft haar verdiende loon dan ook niet ontlopen.
  • Het is ook opvallend dat Christus slechts mannen tot apos­tel gekozen heeft, ook al behan­delde Hij vrouwen met groot respect. Na zijn opstanding zijn het wel vrouwen die als eer­sten bij het graf komen en Hem zien mogen. Maar ze krijgen meteen de opdracht de aposte­len te alarmeren. Díe moeten aan het werk in de kerk.
  • Die lijn blijft ook na Pinksteren. Wel wordt de Profetie van Joël vervuld dat allen, mannen en vrouwen, zonen en doch­ters, voortaan profeteren zullen (in de lijn van Jeremia 31: 33 en vooral 34), maar dat betekent niet dat vanaf nu ook vrouwen tot leidinggevende ambten in de kerk geroepen worden. Kijk maar:
    • in Handelingen 6:7: er worden 7 mannen gekozen om in een on­enigheid tussen vrouwen (!) regelend te gaan optreden.
    • Het valt op dat in de brieven van het Nieuwe Testament steeds de gemeente wordt aangesproken met "broeders". Hoewel uit de inhoud van die brieven blijkt dat ook de zusters aange­sproken worden. Zou de aanhef aan de kerkenraad gericht zijn?
    • Ook in heiden-christelijke gemeenten trekt Paulus de lijn door die we vanaf de schepping zich zagen aftekenen: Timote­üs en Titus moeten in elke nieuwe gemeente mannen tot oudsten aanstellen. Geen vrouwen.

Dát is, ruwweg, de hoofdlijn in de heilige Schrift. Is het dan een wonder dat de kerk al de eeuwen door in deze lijn "zwijg­teksten" als 1 Korinthiërs 14:34,35 en 1 Timoteüs 2:11,12 niet anders gele­zen heeft dan: voor de vrouw heeft de HERE een ándere plaats bestemd in de kerk dan de leiding­ge­vende?

Je kunt het blijven ontkennen, maar de huidige roep om ook vrouwelijke ambtsdragers is niet los te zien van maatschappe­lijke veranderingen die wij hier in Nederland de laatste decen­nia doorgemaakt hebben. Wij leven (nog) in de periode van de eman­cipatie, waarin eerst werd gevochten voor gelijke rechten voor de vrouw, vervolgens voor gelijke kansen, en tenslotte zelfs voor een complete bevrijding van de vrouw.
De invloeden daarvan zijn de kerk niet voorbijgegaan. Ze werken door in onze gezinnen. In de beroepskeuze v­an onze dochters. Vandaag wordt in onze maatschappij uitgegaan van volledige gelijk­heid van jongens en meisjes, mannen en vrouwen. Goed, er ís natuurlijk een li­chamelijk verschil dat niemand ontkennen kan. En dat in de sport ook doorwerkt: we kennen bij het schaatsen nog altijd geen 10 km. voor vrou­wen! Maar behalve dat lichamelijke verschil worden mannen en vrouw­en volledig aan elkaar gelijk geacht.

Als je door dat denken aangestoken wordt, ook al ben je je dat niet bewust (!), ja, dan loop je wel op tegen de bijbel. En tegen een de kerk die in alles aan de bijbel wil blijven vast­houden. Want met de man-vrouw verhouding zoals de bijbel daar­over spre­ekt, en zoals de kerk die nog altijd door­trekt in z'n keuze van ambts­dragers, kun je vandaag toch niet meer uit de voeten? Die was vroeger misschien zinvol, maar die kun je in deze tijd toch aan niemand meer verkopen?

Je kunt dan twee dingen doen. Je kunt de bijbel aan de kant leggen omdat die z'n tijd gehad heeft. Je kunt de bijbel en de kerk als 'museumstukken' gaan beschouwen: een interessante herinne­ring aan een andere tijd. Je kunt ook proberen de bijbel aan onze tijd aan te passen. Eens kijken of je die tek­sten waarte­gen je in dit ver­band het hardst aanbotst, niet misschien ook zo uit­leggen kunt dat ze minder aanstootgevend zijn.

Nu zie je dat eerste onder ons nog niet zo veel gebeuren: dat mensen bijbel en kerk vaarwel zeggen. Maar dat tweede zie ik met bezorgdheid wél steeds meer onder ons gebeuren. Bepaalde teksten worden zo 'gekneed' dat ze iets an­ders gaan zeggen dan we er eeuwenlang in gelezen hebben. Tek­sten die duidelijk het aanstellen van vrouwelijke ambtsdragers tegenhouden, worden zo bijgebogen dat ze nu ineens pleiten vóór de vrouw in het ambt.

Ik besef dat ik nu een tamelijk ernstige beschuldiging uit­spreek. Maar laten de voorbeelden maar voor zichzelf spreken:

  • De apostel Paulus schrijft in Galaten 3:28 dat in Christus Jezus allen één zijn. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije en ook niet van mannelijk of vrouwelijk.
    Voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers zeggen: 'zie je wel, in Christus valt het onderscheid tussen man en vrouw weg! Voor Christus zijn mannen en vrouwen precies gelijk. Mogen wij hen dan in de kerk verschillend behandelen?'
    Maar in dit gedeelte van zijn brief zegt Paulus niet méér dan dat ieder die gelooft in de Here Jezus Christus, kind van God mag zijn. En daarbij maakt het niet uit tot welk volk je be­hoort, of je slaaf bent of vrij man, of je mannelijk of vrou­welijk bent. Gods genade is gelijk voor allen die geloven. Maar deze gelijke genade voor allemaal, maakt de begenadigden nog niet gelijk! Een Jood blijft een Jood en een Griek een Griek. En een slaaf zal nog steeds als slaaf zijn heer gehoor­zaam moeten zijn, ookal is hij in Christus een broeder gewor­den. Zie Paulus' brief aan Filemon. En ook 1 Korinthiërs 7:17 e.v.! Zo blijft ook een gelovige man een man, en een christenvrouw is nog steeds vrouw die niet als gelijke van de man moet willen optreden.
  • Een andere tekst waarnaar vaak verwezen wordt is Efeze 5:21.
    Paulus roept de volgende verzen vrouwen op aan hun man onderda­nig te zijn. (NB dat is dezelfde Paulus van Galaten 3:28!) 'Jawel', zegt men dan, 'maar éérst heeft de apostel geschreven dat wij in de kerk aan elkáár onderdanig moeten zijn in de vreze van Christus. De man moet dus net zo goed aan zijn vrouw onder­da­nig zijn'.
    Zo simpel kunnen we ons natuurlijk niet van een duidelijk gebod van Christus' apostel afmaken. Wanneer Paulus in vs.21 oproept om elkander onderdanig te zijn, doelt hij alleen maar op de verschillende verhoudingen waarin wij als mensen samenleven en die hij in het vervolg ook gaat aanwijzen: de vrouw moet aan de man onderdanig zijn, maar de man op zijn beurt aan Chri­stus. Kinderen moeten aan hun ouders onderdanig zijn, maar sommige vaders evengoed als slaven aan hun meesters...
  • In 1 Korinthiërs 11 noemt de bijbel de man het "hoofd" van zijn vrouw en zij de "hulp" van haar man. Zo staat het trouwens ook in Efeze 5:23. De apostel sluit hier duidelijk aan bij Genesis 2.
    Uitleggers die moeite hebben met alleen mannelijke ambtsdra­gers, gaan die woorden "hoofd en hulp" net zolang kneden tot het verschil in plaats en taak tussen man en vrouw vrijwel ge­heel weggeredeneerd is. 'Een "hoofd" moet vooral willen dién­en', zegt men dan. 'Net zoals Christus dat deed. Hij moet de minste willen wezen en zichzelf wegcijferen'
    Dat is op zichzelf genomen natuurlijk helemaal waar. Maar daar­mee blijft een "hoofd" nog wel "hoofd"! Met een leidinggevende, vooróplopende positie. Christus is als onze "Heer" niet geko­men om Zich te laten dienen, maar om Zelf te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen. Maar daarmee is nu niet ge­zegd dat Hij het dus niet over ons te zeggen heeft! Integen­deel, Hij heeft als onze Heer alle macht in hemel en op aarde.
    'Het woord "hulp", zegt men, hoeft helemaal niet te betekenen dat de vrouw ná de man komt. Want de HEER noemt Zichzelf ook wel eens onze "Helper" of "Hulp". Een koning wordt ook wel een "hulp" genoemd voor mensen in de moeite. Een "hulp" kan soms juist ver bóven je staan in dit leven!'
    Ook dit is, op zichzelf genomen, natuurlijk helemaal waar. Maar heel het onderwijs van de bijbel over de positie van de vrouw t.o.v. de man laat zien, dat in háár geval haar "hulp"-zijn niet betekent dat zij de meerdere van de man is.
  • De nieuwste poging om 1 Korinthiërs 14:34 onschadelijk te maken als bewijstekst tegen vrouwelijke ambtsdragers las ik in een Inge­zonden in het ND. Iemand schreef: 'als Paulus zich voor het moeten zwijgen van de vrouw op "de wet" beroept, kan dat niet Góds wet zijn. Ik ken in Gods wet nergens zo'n gebod. Nee, Paulus beroept zich hier op de Grieks-Romeinse wetgeving van die dagen. Omdat christenen de overheid eren moeten, zie Romeinen 13:1 e.v., waren ze in Korinte ook aan dié wetsbepaling gebonden. Voor ons vandaag geldt die wet niet meer. Wij hebben vandaag eerder een anti-discriminatie wet. Wij zijn dus eigenlijk wet­telijk verplícht, ook vrouwen als ambtsdragers aan te stellen.'
    Deze Ingezonden-schrijver is wel erg gauw klaar met het woordje "wet" in 1 Korinthiërs 14. Want Paulus gebruikt daar het Griekse woord nomos, dat heel het Nieuwe Testament door gebruikt wordt voor de wet van God. Het zou voor z'n le­zers wel heel verwarrend zijn, wanneer hij nu ineens aan een heel andere wet dacht. Met "wet" bedoelde hij niet louter de Tien Geboden of een bepaling in de Moza­ïsche wet, maar heel het onderwijs van het Oude Testament. Verge­lijk 1 Timoteüs 1:7-9. In dat onderwijs is het duidelijk dat het de vrouw niet past het hoogste woord te voeren in de eredienst.
  • De moeilijkste tekst voor voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers blijft 1 Timoteüs 2:12 e.v. Allerlei pogingen zijn wel ondernomen om dit woord van de apostel als tijdgebonden te verklaren, maar eerlijk is eerlijk: de apostel zelf noemt als argument voor zijn verbod aan vrouwen om gezag over de man te hebben niét de cultuur van die dagen, maar Gods scheppingsplan vanaf het begin.

Ook al komt het hard aan, we zullen het eerlijk tegen elkaar zeggen moeten dat zulk kneden van teksten om ze voor het karre­tje van de vrouw in het ambt te kunnen spannen een uiterst gevaarlijk Schriftgebruik is! Zo laat je de bijbel buik­spre­ken. Laten we ook niet te gauw denken dat wij vandaag in een heel ande­re tijd leven dan toen de bijbel geschreven werd, met een heel ande­re culturele situatie. Voor je het weet creëer je zo'n afstand tussen "de tijd van de bijbel" en vandaag, dat de bij­bel niet meer toepas­baar lijkt in veel situ­aties vandaag.

Dan is de bijbel niet meer Gods Woord voor zijn kerk van alle eeuwen, maar een tijdgebonden boek. En dan duurt het maar even meer of ook homoseksualiteit, ongehuwd samenwonen en noem maar op worden goedgepraat.
Wie grondig kennisneemt van de geschiedenis en de cultuur in de dagen waarin bijv. Paulus door Klein-Azië en Griekenland zwi­erf, merkt tot z'n verrassing dat wij vandaag in heel veel opzichten nog helemaal niet zo ver af staan van toen. Er is niets nieuws onder de zon. En daarom is Gods Woord juist nog zo verrassend actueel!

Niet minderwaardig, gelijkwaardig!

Zijn vrouwen minderwaardig, dat zij niet als ambtsdragers in de kerk fungeren mogen? Zijn zij daar niet geschikt voor? Missen zij daarvoor de gaven?
Fervente voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers komen nogal eens met het verwijt dat tegenstanders van de vrouw in het ambt zo denken. De kerk zou vrouw‑onvriendelijk zijn, zou de vrouw als een minderwaardig schepsel behandelen, ja, zelfs onderdruk­king van de vrouw in de hand werken.
Wij moeten ons dat verwijt maar niet laten aanpraten. En ons niet in het valse dilemma laten dringen dat je óf voorstander van de vrouw in het ambt moet zijn, en anders de vrouw dus beschouwt als een niet aan de man gelijkwaardig schepsel.
Het kost inderdaad niet veel moeite om meerdere voorbeelden in de geschiedenis aan te wijzen van een verwerpelijk machtsdenken en machts­misbruik door mannen. Ook in de kerk. Maar daarvoor konden die mannen zich niét op de Bijbel beroe­pen. En ook niet op de leer, of de algemene tendens van de kerk.

Gods Woord leert ons namelijk allerminst om de vrouw als een minderwaardig wezen t.o.v. de man te beschouwen. Integendeel: de heilige Schrift leert ons vrouwen hoogachten!
Al heeft God de vrouw ánders geschapen dan de man, niet gelijk, daarmee is nog niet gezegd dat ze niet gelijkwaardig aan de man zou zijn.

  • Meteen al in Genesis 2 wordt duidelijk hoe hulpbehoevend (!) de man is zonder vrouw. Zonder haar zou hij zijn taak op aarde niet aankunnen.
  • De apostel Paulus herinnert in zijn eerste brief aan de Korintiërs, hoofdstuk 11:11 en 12 mannen er ook fijntjes aan, dat zij er zonder een vrouw niet geweest zouden zijn: de eerste vrouw is er wel gekomen uit de man, maar vervolgens zijn alle mannen door de vrouw ter wereld gebracht. Er is geen man zonder moeder.
  • Wanneer de HERE in zijn strafaankondiging over de zonde man en vrouw weer op hun plaats terugzet in zijn schepping: hij hoofd, zij hulp, Genesis 3:16‑19, en daarin ook spreekt over "heersen" van de man over de vrouw, ligt in dat woord geenszins een vrijbrief voor de man om voortaan de vrouw als slavin en voetveeg te behandelen. Ook al hebben mannen dat er wel eens in gelezen, dat is niet wat de HERE bedoelde.
  • De man krijgt in Gods Woord precies voorgehouden hoe hij met zijn vrouw heeft om te gaan: zoals Christus met zijn gemeente omgaat (Efeziërs 5:25‑33)
  • Wanneer een man zijn vrouw niet met respect behandelt als de zwakkere (dat is niet: de mindere, maar wel: de teerdere, meer kwetsbare van hen beiden) krijgt hij van de HEER een ernstige waarschuwing: door zijn brute optreden veroorzaakt hij dat zijn gebeden belemmerd worden! (1 Petrus 3:7). Je vrouw vernederen, en even later je ogen opslaan naar de hemel‑ dat kan voor de HEER niet samengaan. Zulke bidders laat Hij staan.
  • Lees eens het Spreukenboek om te zien hoe hoog de HEER (ook in de tijd van het Oude Testament!) mannen een vrouw leerde waarderen: 6:20b, 12:4a, 14:1a, 18:22..
    Vooral in Spreuken 31:10‑31 wordt ons een vrouw getekend die haar mannetje staat. Bepaald geen doetje, of een assepoester, maar iemand die de armen uit de mouwen weet te steken, ook wel zelfstandig durft optreden en zo de spil is waar haar gezin om draait.
  • Nu is die vrouw van Spreuken 31 een denkbeeldige vrouw. Maar Gods Woord beschrijft ons ook in werkelijkheid vele voorbeelden van vrouwen met grote invloed op hun omgeving.

Meerdere schrijvers hebben die voorbeelden in een boek op een rijtje gezet:

  • A. Kuyper, Vrouwen uit de Heilige Schrift,
  • A. Janse, Eva's dochteren,
  • H.J. Schilder, Rachels troost.

Al die voorbeelden van actieve vrouwen in de geschiedenis van de kerk, maken iedere man verlegen die kleinerend zou willen denken over de vrouw.

Wanneer Gods Woord toch vrouwen oproept om aan de man "onderda­nig" te zijn en voor hem ontzag te hebben, moeten we dat woord "onderdanig" dan ook niet verkeerd uitleggen. 'Onderdanig zijn­' is iets anders dan 'de mindere zijn". Van de vrouw wordt geen kruiperige, slaafse gehoorzaamheid aan de man gevraagd. Ze hoeft zich ook niet als een voetveeg laten behandelen. Maar ze wordt opgeroepen zich vrijwillig toe te wijden aan haar man om hem van dienst te zijn. Om zó haar Heer in de hemel van dienst te zijn! Zie Efeziërs 5:22. Een vrouw die zich schikt naar haar man in alles wat recht en billijk is, schikt zich op de plaats die Heer haar toegewezen heeft.

En dat is hier het beslissende punt.

Wij zullen oog moeten houden voor de roeping en de taakaanwij­zing zoals de HEER die aan man en vrouw elk afzonderlijk gaf. Voor God is de man niet méér dan de vrouw. Maar Hij gaf aan hem wel andere taken dan aan haar. En zo vullen ze elkáár aan en vervullen ze samen de taak die Hij de mens vanaf het paradijs opdroeg.

Die roeping door de HEER moet ons uitgangspunt blijven in het denken over plaats en taak van man en vrouw.

Wanneer wij ons door ons gevoel laten leiden, gaan we al gauw protesteren en rebelleren tegen Gods scheppingsplan. Wanneer we vanuit ons gevoel van absolute gelijkheid van man en vrouw gaan redeneren, valt het niet meer in te zien waarom de man bepaalde taken wel zou mogen vervullen in de kerk, en een vrouw niet.

Maar kinderen van de HEER moeten zich niet door hun door de zonde aangetaste gevoel laten leiden, maar door de duidelijke normen die de HEER geeft in zijn Woord. En als ze dat doen, en dus blijmoedig de plaats innemen die de HEER ieder aanwijst, zullen ze vervolgens gaan voelen (!), ervaren, hoe goed en wijs Gods oorspronkelijke scheppingsplan is.

Het zal juist in deze tijd met zoveel verwarring rond de door God aan mannen en vrouwen toegewezen taken, nodig zijn dat we ons er weer eens samen op bezinnen hoe we vandaag concreet gestalte moeten geven aan dat verschil in taakaanwijzing door de HEER aan mannen en vrouwen.

Diaconessen?

We zijn, met de kerk van alle eeuwen, dus tot de conclusie gekomen dat de HEER aan vrouwen een andere plaats toewijst dan aan mannen. Ook in de kerk. Vrouwen horen op een andere plaats dan in de kerkenraadsbanken.

Maar kunnen ze ook geen plaats krijgen in de diakenbank? De Bijbel lijkt toch wél diaconessen te kennen?

We kunnen er inderdaad niet omheen, dat er in het Nieuwe Testa­ment op meer dan één plaats sprake is van vrouwen die in de gemeenten een dienende taak vervulden. Zie b.v. Romeinen 16:1 waar Paulus zuster Febe bij de gemeente aanbeveelt, "een diena­res van de gemeente te Kenchreae". Paulus gebruikt in het Grie­ks de term "diakonos", en dat is stellig een aanduiding voor iemand die belast is met bepaalde dienende taken. Het betekent méér dan dat deze vrouw wel een nuttig kerklid was.

In 1 Timoteüs 3:11 noemt de apostel Paulus een aantal vereisten voor oudsten en diakenen in de kerk. Daartussen staan ook een paar vereisten voor "vrouwen" vermeld. De bijbelvertaling van 1951 heeft daar de vrouwen van de diakenen (en eventueel ook van de ouderlingen) van gemaakt, door "(hun)" in te voegen. Maar dat staat er niet in het Grieks en klopt ook niet goed in het verband, want de vrouwen van de diakenen komen pas in het volgende vers ter sprake. Het hele verband dwingt ertoe vs.11 te lezen als een aanwijzing voor de aanstelling van bepaalde vrouwen met een diaconale taak. Paulus komt daarop nader terug in hoofdstuk 5 waar blijkt dat hij met name aan weduwen dacht. Vaak is hoofdstuk 5 gelezen als een serie bepalingen voor wedu­wen die hulp nódig hebben. Maar dat kan hier onmogelijk Paulus' bedoeling zijn. Kijk eens naar 5:9 waar de apostel een leef­tijdsgrens van 60 jaar stelt. Zou je als weduwe van 54 je nog zes jaar maar moeten zien te redden omdat je nog geen 60 bent?! Nee, het gaat hier over de aanstelling van vrouwen die zelf aan anderen hulp kunnen gaan verlénen. Daarvoor kiest de a­postel zusters die niet of nauwelijks meer verplichtingen hebben t.a.v. hun eigen 'huis', familie, en daarom in Gods huis aan het werk gezet kunnen worden. En dan is een leeftijdsgrens van 60 jaar zinvol.

Denk niet dat ik hier nu een nieuwe exegese verkondig. De Kant­tekeningen bij de oude Staten-vertaling spreken bij de weduwen van 1 Timoteüs 5 al over "het ambt eener Diakonesse"! Zij denken trouwens ook dat in de bekende geschiedenis van Handelingen 6:1 e.v. mogelijk gedacht moet worden aan weduwen "die tot de dien­st (!) der armen niet mede gebruikt werden".

Het is daarom ook niet zo vreemd dat we in de kerkgeschiedenis lange tijd diaconessen tegenkomen. En dat niemand minder dan Calvijn na de breuk met de Rooms Katholieke Kerk, en in navol­ging van hem het Convent van Wezel van 1568, pleitte voor het weer aanstellen van diaconessen. Ze zijn er ook weer gekomen! Bijvoorbeeld in de kerk te Amsterdam.

Toch zijn we ze in de Gereformeerde Kerken weer kwijtgeraakt. En zijn we ook huiverig geworden ze weer in te voeren.

Waarom?

Dat heeft te maken met de plaats die wij de diakenen zijn gaan geven: medeleden van de kerkenraad naast de ouderlingen. Broe­ders die voor een belangrijk deel mee de leiding over de ge­meente hebben. Als we naast hen ook weer diaconessen aanstel­len, is dat een eerste stap op een weg die wel moét leiden tot het ook accepteren van vrouwelijke ouderlingen en diakenen. Immers, waarom zouden zusters uit de gemeente wel in de rijen van de diakenen en niet in die van de ouderlingen mogen zitten? En waarom dan ook niet op de preekstoel?

Prof. dr. J. van Bruggen heeft daarom jaren geleden er al eens voor gepleit de diakenen weer terug te zetten op de plaats die ze (naar zijn overtuiging) volgens het Nieuwe Testament behoren in te nemen: niet naast maar onder de ouderlingen. De oudsten hebben namens Christus de leiding over heel de gemeente. Zij zijn door de Heilige Geest tot opzieners over geheel de gemeen­te van God gesteld en geroepen om leiding te geven. Maar de diaken komt in het Nieuwe Testament naar ons toe als iemand die de raad van oudsten behulpzaam is als dienaar in de gemeente. Hij déélt niet de leiding over de gemeente met de ouderling. Maar ónder de leiding van de oudsten wordt hij ingeschakeld voor belangrijk (dat wel!) hulpwerk. Zijn naam zegt het al: "diaken" betekent letterlijk vertaald: "dienaar, helper".

Als dus de diaken weer wordt wat hij volgens het Nieuwe Testa­ment was, is er geen enkele moeite om ook de diacones weer in ere te herstellen. Dan hebben we onder de leidinggevende ouder­lingen helpers (m/v). En niemand hoeft dan bevreesd te zijn dat de invoering van ook vrouwen in het diakenambt de eerste stap zal worden op weg naar ook vrouwelijk ouderlingen en pre­dikan­ten.

In feite kennen we ook nu al wel zulke 'diaconessen'. Ze worden alleen niet, zoals de diakenen, verkozen en in een eredienst bevestigd. Maar ze zijn er al wel: ik denk b.v. aan de zusters die zich inzetten voor zusterhulp.

We zullen ons alleen wel eens mogen afvragen of we voor deze zusters wel voldoende rekening houden met de door Paulus in 1 Timoteüs 5 genoemde regels. Is het wel terecht dat meerdere zusters die zich voor de zusterhulp inzetten, zelf thuis ook nog een heel gezin te verzorgen hebben? Ze verdienen uiteraard alle waarde­ring voor hun inzet, maar zouden we niet meer een beroep moeten doen op zusters die die taak thuis niet (meer) zo hebben?

Dit verhaal over diaconessen laat in elk geval zien dat de zusters in de kerk door de Heer niet als onbruikbaar aan de kant geschoven worden. Maar dat er ook voor haar belangrijke taken te vervullen zijn. De eerste taak is die in eigen gezin -Paulus onderstreept dat dus nog eens in 1 Timoteüs 5. Maar ook in de kerk ligt er werk.

Goed, in bepaalde opzichten is het ánder werk dan dat van de man.

Maar niet minder belangrijk.

Vrouwen zíjn ook anders dan mannen.

Gelukkig wel!

« De GKv en de katholiciteit van de kerk -

Bronnen

Werkgroepen



Overige Pagina's